Land van de Schelde

Wie een blik werpt op de kaart van het deltagebied in het zuidwesten van Nederland zal direct getroffen worden door de merkwaardige vorm van het schiereiland dat bestaat uit de voormalige eilanden Zuid-Beveland en Walcheren. Het doet wat denken aan een leeggelopen ballon, waarvan het opblaastuitje aan het vasteland vastzit. Die vorm heeft het vooral te danken aan de invloed van de rivier de Schelde, die hier in de Zeeuwse delta haar water vermengt met dat van Rijn en Maas.

Natuurlijk was die vorm niet altijd zoals we die vandaag de dag op de kaart zien. Integendeel, historische landkaarten van de Zeeuwse delta laten elke honderd jaar een totaal ander beeld zien. Waar de ene eeuw land is toont de kaart een eeuw later water, en andersom. Kleine eilanden en zandplaten groeien aaneen tot grotere en blijken enkele decennia later door een allesvernietigende stormvloed weer in stukken geslagen of zelfs compleet verdwenen te zijn. Aan dit proces is pas in de twintigste eeuw een einde gekomen, met name door de uitvoering van de Deltawerken. Sindsdien ligt de vorm van de Zeeuwse eilanden, dus ook die typische vorm van Zuid-Beveland, min of meer vast.

Door de eeuwen heen bleef één ding onveranderlijk: de Schelde die Zuid-Beveland aan alle zijden omspoelde waardoor het altijd een riviereiland bleef, zonder de duinen en de stranden die andere eilanden zo geliefd maakten bij de toeristen. De verbinding met het vasteland in de tweede helft van de 19e eeuw, waardoor de Oosterschelde werd afgesneden van de hoofdstroom, heeft daar niets aan veranderd. Het karakter van Zuid-Beveland wordt nog altijd bepaald door de rivier.

Ameland
Marken
Neeltje Jans
Noordereiland
Noord-Beveland
Pampus
Schiermonnikoog
Schokland
Sint Philipsland
Terschelling
Texel
Tholen
Tiengemeten
Urk
Vlieland
Walcheren
Wieringen
Zuid-Beveland

Help
Links
Gastenboek




Gevormd door zee, rivier en mens

   

De eerste bewijzen van menselijke aanwezigheid in de Zeeuwse delta dateren van 150.000 jaar geleden. Dat blijkt uit de vondst van een stenen vuistbijl bij Cadzand, in het tegenwoordige Zeeuws-Vlaanderen. Andere vondsten duiden erop dat er al rond 4500 v. Chr. aan landbouw werd gedaan in dit gebied, met name veeteelt.

Hoe het er hier toen uitzag weten we niet precies; er bestaan immers geen kaarten uit die tijd. We kunnen ons wel een voorstelling ervan maken; een kustwal met stranden en duinen, op diverse plaatsen onderbroken door riviermondingen, daarachter een door grillige kreken doorsneden veengebied met op de hoger gelegen gronden agrarische nederzettingen.
 

 

Zuid-Beveland -
enkele cijfers


Lengte 40 km, 
breedte max. 18 km, oppervlakte ca. 372 km²,
hoogste punt (bij Wemeldinge) +12m NAP,
inwoners 92.000.

Zo moeten de Romeinen de streek hebben aangetroffen toen zij rond het begin van onze jaartelling deze kant opkwamen. Tekenen van hun aanwezigheid in het gebied zijn in ruime mate gevonden. Hoewel zij de rivier de Rijn als de feitelijke grens van het Romeinse Rijk beschouwden wijzen vondsten erop dat zij in het gebied van het huidige Zeeland wel degelijk permanente nederzettingen hebben gehad. Er werd zelfs handel met landen overzee gedreven, bijvoorbeeld op de plaats van het huidige Domburg op Walcheren. Waarschijnlijk bestonden Walcheren en Zuid-Beveland toen nog niet als eilanden, in elk geval niet onder die namen, maar zeker weten we dat niet. Zoals eerder gezegd, geografische bewijzen in de vorm van kaarten uit die tijd zijn er helaas niet.

Over de periode na de Romeinse tijd is erg weinig bekend. Waarschijnlijk vonden er in de derde eeuw diverse ernstige overstromingen plaats die voor een langere periode een einde maakten aan de bewoning in het deltagebied, op misschien enkele nederzettingen in de duinen na. Pas vanaf de achtste eeuw is er weer sprake van permanente bewoning en van handelsactiviteiten, opnieuw in het gebied van het huidige Walcheren. Zeker is ook dat een eeuw later de Vikingen deze kusten bezochten, al dan niet met vreedzame bedoelingen. Om de invallen het hoofd te bieden werden bij diverse plaatsen verdedigingsburchten gebouwd; plaatsnamen als Middelburg, Domburg en Souburg herinneren daar nog aan.
 

   

Vanaf de elfde eeuw bond de mens de strijd aan met het water en begon de geleidelijke inpoldering van de eilanden in het deltagebied. Dat inpolderen gebeurde vaak in opdracht van Vlaamse kerken en kloosters, die veel van de grond in de delta in eigendom hadden. Waarschijnlijk komt hier ook de naam 'Beveland' vandaan, welke zou verwijzen naar de monniken van het Sint Bavoklooster in Gent die het initiatief namen voor de eerste bedijkingen in het gebied.

De grotere eilanden zoals Zuid-Beveland, Walcheren, Schouwen en Duiveland waren toen in aanleg reeds aanwezig. Door de voortgaande inpolderingen werden ze steeds groter en groeiden ze naar elkaar toe. Dat gebeurde niet zonder slag of stoot. Zoals eerder al vermeld deden stormvloeden regelmatig veel van het mensenwerk weer teniet en verdwenen hele ingepolderde gebieden weer onder water, soms voor een lange periode of zelfs voorgoed.

Maar toch kreeg de mens langzamerhand steeds meer greep op dit weerbarstige land. De bevolking groeide en sommige van de kleine boerendorpjes ontwikkelden zich tot belangrijke marktplaatsen en handelscentra. Middelburg op Walcheren kreeg al in 1217 stadsrechten; op Zuid-Beveland volgde Reimerswaal in 1374 en Goes in 1405. In deze periode streden Holland en Vlaanderen om de macht in het Zeeuwse deltagebied, een strijd die uiteindelijk in 1323 in het voordeel van de Hollanders werd beslecht.

De vijftiende eeuw was een periode van relatieve welvaart en voorspoed waarin handel en nijverheid, landbouw en visserij bloeiden. De zestiende eeuw daarentegen bracht oorlog, ziekte, rampen en economische neergang. Gedurende de Tachtigjarige Oorlog was Zeeland betwist gebied en vochten Hollanders en Spanjaarden hier bittere veldslagen uit, met verwoesting, moord, plundering en verkrachting als gevolg. Bovendien heerste de pest in de eerste decennia van deze eeuw, waaraan vele duizenden Zeeuwen, ook op Zuid-Beveland, ten prooi vielen.

Tenslotte werd het eiland ook nog door een aantal opeenvolgende rampen getroffen. Door een brand werd in 1520 de helft van de stad Reimerswaal verwoest en in 1554 gebeurde hetzelfde in Goes, waarbij zelfs driekwart van de stad in de as werd gelegd. Een aantal zware overstromingen veroorzaakten veel schade, overlast en slachtoffers. De ergste zijn wel de Sint Felixvloed van 5 november 1530, een dag die bekend werd onder de naam 'Quade Saterdach', en de Allerheiligenvloed van 1 november 1532, toen volgens een kroniekschrijver in de kerk van Reimerswaal de haringen rond het altaar zwommen. Het zou niet de laatste keer zijn en uiteindelijk zou de stad, met een groot gebied eromheen, zelfs voorgoed onder de golven van de zee verdwijnen.
 

 

Klik om te vergroten
Zeeland omstreeks 1300
(uitgegeven door de Zeeuwse Boekhandel te Zierikzee)

In 1574 viel Middelburg definitief in handen van de Hollanders onder Willem van Oranje en drie jaar later Goes, waarmee een eind kwam aan het oorlogsgeweld. Toen in 1585 de stad Antwerpen in handen van de Spanjaarden viel en de Hollanders in reactie daarop de monding van de Schelde voor lange tijd hermetisch afsloten verplaatsten veel gegoede Vlamingen hun activiteiten naar Zeeland, waardoor het maatschappelijke en culturele leven een belangrijke impuls kreeg. Er brak voor Zeeland  een nieuwe periode van welvaart aan, hetgeen te zien is aan de vele monumentale gebouwen in steden als Middelburg, Vlissingen, Veere, Zierikzee en ook Goes.

In de loop van de zeventiende eeuw verschoof het zwaartepunt van handel en nijverheid in de Republiek der Nederlanden steeds meer van Zeeland naar Holland. Steden als Amsterdam, Haarlem, Leiden en Delft overvleugelden de Zeeuwse steden, wat mede kwam door hun nogal  geïsoleerde ligging op de moeilijk bereikbare eilanden. Dit geografische gegeven zou tot ver in de twintigste eeuw een remmende invloed hebben op de verdere ontwikkeling van Zeeland.

De achttiende eeuw kenmerkte zich door verdere neergang. Zeeland verarmde en viel meer en meer terug op landbouw en visserij als de belangrijkste middelen van bestaan. Gedurende de Franse tijd rond de eeuwwisseling kwam het scheepvaartverkeer op de Westerschelde stil te liggen, waardoor de handel helemaal wegkwijnde. Het vertrek van de Fransen en de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 bracht aanvankelijk weinig verbetering in de situatie. In de Zeeuwse steden werden veel tekenen van de voorbije glorie afgebroken.
 

 

Klik om te vergroten
Zeeland omstreeks 1650
(bron: ThinkQuest)

De komst van de spoorweg in het laatste kwart van de negentiende eeuw, die vooral de steden Middelburg en Vlissingen uit hun isolement verloste, gaf een nieuwe impuls aan de ontwikkelingen in het gebied. In 1867 werd het Kreekrak, de verbinding tussen de Oosterschelde en de Westerschelde die Zuid-Beveland scheidde van het Brabantse vasteland, door een dam afgesloten en een jaar later kon de spoorlijn tussen Bergen op Zoom en Goes in gebruik genomen worden. Hiermee was Zuid-Beveland het eerste van de Zeeuwse eilanden dat met het vasteland werd verbonden en daardoor zijn eilandstatus verloor.

In 1871 werd het Sloe, het water tussen Zuid-Beveland en Walcheren, eveneens door een dam afgesloten, waardoor beide eilanden met elkaar verbonden werden en dus ook Walcheren geen eiland meer was. In 1872 was de spoorlijn via Middelburg doorgetrokken naar Vlissingen en waren de twee belangrijkste Zeeuwse steden aangesloten op het nationale spoorwegnet. Vlissingen kreeg een nieuwe haven waar zich scheepswerf De Schelde vestigde, die zou uitgroeien tot een belangrijke bouwer van vooral marineschepen. Rond het afgesloten en grotendeels ingepolderde Sloe zou zich in de twintigste eeuw een omvangrijk industriegebied ontwikkelen.

Deze ontwikkelingen werden met argusogen gadegeslagen door België, dat zich in 1830 na een korte opstand had losgemaakt van Nederland en in 1839 officieel onafhankelijk werd. Nederland was echter krachtens internationale verdragen verplicht om voor een deugdelijke vaarweg tussen Antwerpen en de Rijn te zorgen en dus moest er een nieuw kanaal dwars door Zuid-Beveland worden gegraven. Met de aanleg werd in 1853 begonnen en in 1866, ruimschoots vóór de definitieve afsluiting van het Kreekrak, was het klaar. Dit Kanaal door Zuid-Beveland bestaat nog steeds; het loopt kaarsrecht vrijwel noord-zuid van Hansweert aan de Westerschelde naar Wemeldinge aan de Oosterschelde, een afstand van ca. 9 kilometer.
 

 

Klik om te vergroten
Zeeland omstreeks 1930
Bron: Kleine Bosatlas
 

Tijdens de meest recente watersnoodramp van 1 februari 1953, waarbij 1836 mensen omkwamen, werd ook Zuid-Beveland niet gespaard. Ook hier vonden op diverse plaatsen dijkdoorbraken plaats, waardoor grote gebieden overstroomd werden, vooral in de 'Hals' van het schiereiland, tussen het Kanaal en het vasteland, en in de 'Zak' van Zuid-Beveland. In totaal verdronken er op Zuid-Beveland 96 mensen. Met name het dorp Kruiningen werd, met 62 doden, relatief zwaar getroffen.

De ramp leidde tot de versnelde uitvoering van het Deltaplan, een gigantisch project om het deltagebied te beveiligen tegen stormvloeden in de toekomst door het afsluiten van de belangrijkste zeegaten tussen de eilanden. Een van de eerste concrete resultaten was de afsluiting van de Zandkreek tussen Noord- en Zuid-Beveland, waardoor voor het eerst in de geschiedenis de beide Bevelanden eindelijk met elkaar verbonden werden.

Het sluitstuk van de Deltawerken in Zeeland was de bouw van de stormvloedkering in de Oosterschelde, die in 1986 gereedkwam. Dit werk wordt nog altijd beschouwd als het toppunt van waterbouwkunde. Door de keuze voor een open, afsluitbare kering in plaats van een vaste dam kon het zoute milieu en het getij in de Oosterschelde behouden blijven. Voor Zuid-Beveland was dit zeer belangrijk, omdat bij een permanente afsluiting van de Oosterschelde de belangrijke oester- en mosselcultuur van Yerseke ten dode opgeschreven zou zijn. Meer informatie over de Oosterscheldekering op de pagina van Neeltje Jans.

De Deltawerken hadden tenslotte nog een ander bijkomend gevolg voor Zuid-Beveland. Na vele jaren van soebatten kon de wens van België om een kortere en snellere verbinding van Antwerpen met de Rijn eindelijk in vervulling gaan. In 1975 werd het Schelde-Rijnkanaal opengesteld, een 38 kilometer lange waterweg die de Antwerpse dokken rechtstreeks en geheel via binnenwateren verbindt met de Volkeraksluizen. Daartoe moesten wel de schiereilanden Zuid-Beveland en Sint Philipsland weer doorgraven worden, waardoor het in feite weer een beetje eilanden werden, zij het dan via bruggen over het kanaal verbonden met het vasteland.
 

 

Klik om te vergroten
Satellietfoto van Zuid-Beveland nu (bron: NLR / ESA)

 




Een vluchtige impressie van Zuid-Beveland

   

Een ééndaags bezoek aan Zuid-Beveland kan niet veel meer dan slechts een oppervlakkige indruk van dit voormalige eiland opleveren. Als die ene dag dan bovendien met overvloedige regenval begint is de kans groot dat die indruk overwegend grijs getint zal zijn. Gelukkig knapt het weer in de loop van de dag wat op, anders zou Zuid-Beveland ernstig tekort gedaan zijn. Want er is hier genoeg te zien en te genieten. De grootte van het eiland en de tijd die mij ter beschikking staat dwingen me echter om keuzes te maken en slechts een beperkt aantal plaatsen te bezoeken. De kans om zomaar ergens terecht te komen, wat vaak tot de leukste ontdekkingen leidt, is daarbij niet zo groot. Dat moet dan maar wachten tot een volgend bezoek.

Mijn bezoek aan Zuid-Beveland begint waar het eiland zelf begint: op de brug over het Schelde-Rijnkanaal bij het dorpje Bath. Je bent hier heel dicht bij België; vanaf de brug kun je kijkend in zuidelijke richting de haveninstallaties van Antwerpen en de koeltorens van de kerncentrale bij het dorpje Doel duidelijk zien liggen. Het kanaal is hier 120 meter breed en dat is niet veel smaller dan het Kreekrak, de oude verbinding tussen Wester- en Oosterschelde ooit was, zoals op historische kaarten te zien is. Je zou dus kunnen zeggen dat de situatie hier weer veel lijkt op die van vóór 1867, toen Zuid-Beveland nog een echt eiland was.
 

   

Klik om te vergroten

 

< klik op een foto om te vergroten


 
   

Klik om te vergroten

Afgezien natuurlijk van de bruggen die er toen nog niet waren: deze waar ik nu op sta en de twee een stukje verder naar het noorden, waar de snelweg A58 en de spoorlijn het kanaal kruisen. Voor ons zuinige Hollanders is het een plezierig idee te weten dat de aanleg van het kanaal voor 85% door de Belgen werd betaald. Je kunt je afvragen of dat goed besteed geld is geweest, gezien het weinige scheepvaartverkeer op deze dag.

   


Mijn eerste bestemming op Zuid-Beveland is het dorpje Kruiningen aan de Westerschelde. Niet dat daar, afgezien van de 14e-eeuwse hervormde kerk, erg veel te zien is. Kruiningen is vooral een bekende naam door de veerdienst naar Perkpolder in Zeeuws-Vlaanderen, een verbinding die een nog beroerdere reputatie van betrouwbaarheid had dan het veer Anna Jacobapolder-Zijpe tussen Sint Philipsland en Schouwen-Duiveland. Dat was ook niet zo vreemd, want de Westerschelde was en is een brede, zeer druk bevaren waterweg, waar de sterke getijstromen, zandbanken en de wind voor  verraderlijke omstandigheden kunnen zorgen. Storm, mist, te hoge of juist te lage waterstanden en zelfs ijsgang waren de meest voorkomende redenen die zeer regelmatig tot het uit de vaart nemen van de veerdienst leidden.

Wanneer de dienst Kruiningen-Perkpolder weer eens in de nieuwsbulletins op de radio werd genoemd was dat steevast slecht nieuws voor reizigers van en naar Zeeuws-Vlaanderen. Zij moesten dan een lange omweg maken naar het enige andere autoveer over de Westerschelde, tussen Vlissingen en Breskens (in de hoop dat die nog wél voer) of anders de nog langere omweg via Antwerpen in België. Logisch dat er in Zeeland al tientallen jaren werd geroepen om een vaste oeververbinding over de Westerschelde, om Zeeuws-Vlaanderen uit zijn isolement te halen.

Dat was echter niet zo eenvoudig. Natuurlijk kon de Westerschelde niet met een dam worden afgesloten zoals de andere Zeeuwse zeegaten, vanwege het scheepvaartverkeer van en naar Antwerpen. Het Deltaplan voorzag dan ook alleen in het verhogen en versterken van de dijken langs de Westerschelde, om de veiligheid van Walcheren, Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen te garanderen. Toen dat voltooid was stond de vaste oeververbinding nog steeds op het verlanglijstje van de provincie.

In de loop van de jaren werden diverse plannen voor die verbinding gemaakt. In eerste instantie werd gedacht aan een brug, maar die zou zeer hoog moeten worden om de zeescheepvaart niet te hinderen. Latere plannen voorzagen in een brug-tunnelcombinatie, een brug naar een zandplaat in het midden van de rivier en vervolgens een tunnel onder de hoofdvaargeul. Uiteindelijk werd besloten tot volledige ondertunneling van de Westerschelde. Nadat nog lang was gesteggeld over de plaats waar de tunnel moest komen en over de financiering werd uiteindelijk in 1998 begonnen met de bouw. In 2003 kon de tunnel worden geopend, waarmee de veerdienst Kruiningen-Perkpolder werd gestaakt.
 

 

 

Met ruim 6,5 kilometer is de Westerscheldetunnel de langste autotunnel van Nederland. Het is een geboorde tunnel, wat heel bijzonder is voor Nederland omdat tot dan toe dergelijke tunnels altijd werden gebouwd door het afzinken van geprefabriceerde tunnelelementen in een sleuf die in de waterbodem werd uitgebaggerd. Door de opening van de tunnel is Zeeuws-Vlaanderen, dat stukje Nederland dat eigenlijk bij België zou moeten horen, een stuk dichterbij gekomen. Al zal er de eerste 30 jaar wel tol moeten worden betaald om er te komen.

Ik ga naar Kruiningen om te zien of er, twee jaar na het opheffen van de beruchte veerdienst, nog iets van over is. Dat is er inderdaad. Nadat ik de afslag Kruiningen van de snelweg A58 heb genomen kom ik op een groot kruispunt, vanwaar een brede, uit meerdere rijstroken bestaande weg naar het zuiden leidt. Alle wegwijzers die me zouden kunnen zeggen waarheen die weg leidt zijn weggehaald. Er is geen twijfel mogelijk: hier moet ik zijn.

Na een paar honderd meter blijken de hoofdrijbanen afgesloten met de bekende roodwitte hekken, maar via een ventweg kan ik verder rijden. Een paar minuten later ben ik bij de veerhaven en dat is een bijzonder vreemde ervaring. Het immense opstelterrein is totaal verlaten. Waar een paar jaar geleden nog dagelijks honderden auto's in rijen stonden te wachten op de volgende pont schiet nu het onkruid op tussen de klinkers. De dubbeldeks oprijbruggen zijn er nog, afgesloten met stevige hekken. Een dichtgetimmerde houten snackbar, kapotte stoplichten, afgebroken slagbomen, het gebouwtje voor de kaartverkoop waarvan alle ramen zijn stukgeslagen, het draagt allemaal bij aan de desolate sfeer op deze vreemde plaats. Één ding is wel duidelijk: de veerdienst Kruiningen-Perkpolder is uit de vaart genomen, en dit keer voorgoed.
 

 

De boot gemist!

Juist als ik deze desolate plek wil verlaten komt een Belgische auto aanrijden die vlak bij mij stopt, waarna de bestuurder me vraagt of er vandaag nog een veerboot gaat. Door mijn antwoord dat de veerdienst al twee jaar is opgeheven is hij danig uit het veld geslagen. Op de vraag hoe hij dan "aan d'n overkant moet gaan geraken" vertel ik hem van de nieuwe tunnel. Ik kan niet aanwijzen hoe hij daar moet komen op de kaart die zijn vrouw op schoot heeft, want daar staat de tunnel helemaal niet op. Die kaart, duidelijk al van een jaar of wat geleden, vermeldt alleen het veer Kruiningen-Perkpolder!

Klik om te vergroten

Klik om te vergroten

Klik om te vergroten

Klik om te vergroten

   


Het is slechts acht kilometer van Kruiningen aan de Westerschelde naar Yerseke aan de Oosterschelde, dwars door de 'Hals' van Zuid-Beveland. Ook Yerseke is een bekende naam. Het is al sinds de vijftiende eeuw het centrum van de schelpdiervisserij in Nederland. Hier in Yerseke staat zelfs de enige mosselveiling ter wereld. Oorspronkelijk werden de schelpdieren alleen gevangen en hier aan land gebracht om te worden verhandeld. Maar in de tweede helft van de negentiende eeuw is men begonnen met het kunstmatig kweken van mosselen en oesters.

Dat kweken is een ingewikkeld proces dat deels in de Waddenzee en deels in de Oosterschelde plaatsvindt. Met name de oesterteelt luistert erg nauw. In juni, wanneer het zeewater warmer is dan 18° C is, laten de oesters hun zaad los. De kwekers leggen dan mossel- of kokkelschelpen op de bodem waarop de oesterlarven zich kunnen hechten. In april en mei van het volgende jaar worden de broedsels weer opgevist en vervolgens uitgezaaid op speciale kweekpercelen in de Oosterschelde, de zogenaamde oesterbanken. Daar moeten ze dan nog drie tot vier jaar groeien voordat ze geschikt zijn voor de consumptie. Als het zover is worden ze in afwachting van de verkoop opgeslagen in de oesterputten, die vanaf 1870 even buiten het dorp langs de Oosterschelde gebouwd werden.

De oesterteelt is erg gevoelig voor invloeden van buitenaf, zoals de kwaliteit en de temperatuur van het zeewater. De uitzonderlijk strenge winter van 1963 bijvoorbeeld vernietigde bijna de gehele oesterpopulatie in de Oosterschelde. Het duurde jaren voor Yerseke die klap te boven was gekomen. Ook allerlei ziektes brachten de oesterteelt regelmatig zware schade toe.

Toen in de jaren zeventig van de vorige eeuw de afsluiting van de Oosterschelde in het kader van het Deltaplan steeds dichterbij kwam leek ook het definitieve einde van de oester- en mosselcultuur in Yerseke nabij. Immers, door de afsluiting zou het milieu in de zeearm ingrijpend veranderen. Het getij zou verdwijnen en het zoute water zou, door de aanvoer van rivierwater, brak en vervolgens zoet worden. Het is dus te begrijpen dat de oester- en mosselkwekers van Yerseke zich van harte aansloten bij de milieuactivisten die ijverden voor het openhouden van de Oosterschelde.

Zij kregen uiteindelijk hun zin. Na jaren van discussie en van het afwegen van de verschillende belangen als veiligheid, milieu, economie en kosten besloot het parlement in 1976 tot afsluiting van de Oosterschelde door middel van een open stormvloedkering, die alleen bij zware storm in combinatie met extreem hoge waterstanden gesloten wordt. Zo kon het milieu van de Oosterschelde behouden worden terwijl toch de veiligheid van de bewoners in het gebied gegarandeerd was. En de oester- en mosselcultuur van Yerseke was gered.
 

   

Klik om te vergroten

Klik om te vergroten

Klik om te vergroten

Klik om te vergroten

   


Yerseke is in 1970 opgegaan in de fusiegemeente Reimerswaal, een verwijzing naar oude tijden toen hier een welvarende havenstad met dezelfde naam lag. Qua grootte en belangrijkheid zelfs de derde stad van Zeeland, na Middelburg en Zierikzee. Niets is er van overgebleven dan een golvende watervlakte die nu de 'Kom' van de Oosterschelde wordt genoemd, maar die op landkaarten nog altijd wordt aangeduid als 'Het Verdronken Land van Zuid-Beveland'.

De ondergang van Reimerswaal is nog altijd omgeven met veel mythen en legenden. Zo zouden vissers al eeuwenlang hier hun netten scheuren aan de overblijfselen van de vroegere trotse stad. Bij zware storm op de Oosterschelde zou je het gelui van de kerkklokken van de verzonken stad nog kunnen horen, en tijdens doodstille nachten zouden de gebeden om vergeving voor hun hoogmoed van de verdronken inwoners opstijgen naar het wateroppervlak. De werkelijkheid is echter heel wat prozaïscher (zie kader hiernaast).

Ik verlaat Yerseke en zet koers naar Wemeldinge, een paar kilometer verderop aan de Oosterschelde. Ook dit is zo'n naam met een bekende klank, tenminste als je op de basisschool nog 'ouderwetse' topografie hebt gehad. Wemeldinge dient in één adem genoemd te worden met Hansweert, want beide plaatsen worden met elkaar verbonden door het al eerder genoemde Kanaal door Zuid-Beveland. Een kanaal dat, ook na de opening van de nieuwe Schelde-Rijnverbinding in 1976, nog altijd een belangrijke schakel is in het scheepvaartverkeer.
 

 

Reimerswaal, Atlantis in de Oosterschelde?

Het verhaal van de rijke handelsstad Reimerswaal die verzwolgen werd door de zee doet natuurlijk denken aan het legendarische  Atlantis. De feiten vertellen echter een ander verhaal. In tegenstelling tot wat veel mensen denken werd Reimerswaal niet in één klap vernietigd. De ondergang voltrok zich in ruim anderhalve eeuw. Zeven overstromingen, diverse branden, oorlog, een pestepidemie en financieel wanbeleid waren de voornaamste oorzaken. In 1632 werd Reimerswaal officieel bankroet verklaard en verlieten de laatste bewoners de stad. De meeste bouwwerken werden afgebroken om te gelde te worden gemaakt. In 1696 was er niets meer van over dan een verlaten eilandje met wat steenhopen, dat een paar jaar later door gebrek aan onderhoud helemaal onder water verdween. De overblijfselen liggen sinds 1981 voorgoed begraven onder het schutsluizencomplex in de Oesterdam.

 

Klik om te vergroten

In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw werd het kanaal aanzienlijk verbeterd; het werd verbreed en de monding aan de kant van de Oosterschelde werd wat naar het oosten verlegd, zodat het schutsluizencomplex bij Wemeldinge kon vervallen. Het is nu in gebruik als jachthaven. Een ander knelpunt, de brug in de autosnelweg A58 over het kanaal, werd vervangen door de 1.400 meter lange Vlaketunnel in 1975.

 
 

Wemeldinge dankt veel van zijn welvaart aan het Kanaal, maar het is veel ouder en was zelfs in de Middeleeuwen al een niet onbelangrijke plaats, met een eigen parochie en een klooster. Het bezit een mooie, met leilindes omzoomde dorpsstraat, een monumentale kerk, twee nog werkende korenmolens en de hoogste vliedberg van Zeeland. Deze 12 meter hoge vluchtheuvel werd opgeworpen als schuilplaats voor mens en dier bij hoog water.

Klik om te vergroten

   


Mijn volgende reisdoel is Goes, de 'hoofdstad' van Zuid-Beveland en tevens, na de teloorgang van Reimerswaal, de enige echte stad die het eiland nog telt. Met ruim 36.000 inwoners is het ook verreweg de grootste plaats, met de nodige voorzieningen op het gebied van detailhandel, sport en recreatie, onderwijs en cultuur om een centrumfunctie te vervullen voor de hele regio.

Goes is veel minder bekend dan andere Zeeuwse steden als Middelburg, Vlissingen, Zierikzee en Veere. Dat is niet helemaal terecht, want ook Goes kan bogen op een lange en rijke historie, die teruggaat tot in de twaalfde eeuw toen hier, aan de oever van de kreek Korte Gos, al een kleine nederzetting lag. Het is waarschijnlijk dat de stad hieraan zijn naam dankt en niet aan de gans, hoewel deze vogel vaak in verband gebracht wordt met Goes en ook in het stadswapen voorkomt.

In 1405 kreeg Goes stadsrechten en in 1417 verleende de Hollandse gravin Jacoba van Beieren de stad toestemming voor de aanleg van verdedigingswerken. De stad beschikte toen over een omvangrijke handelsvloot die op alle West-Europese havens voer. Uit deze periode dateert ook de Maria Magdalenakerk of Grote Kerk, een imposante laat-gotische kruisbasiliek en een van de meest opvallende gebouwen in de binnenstad. Andere bezienswaardigheden zijn het 17e-eeuwse Manhuis en het  stadhuis aan de Grote Markt uit 1775.
 

   

Klik om te vergroten

Klik om te vergroten

Klik om te vergroten

Klik om te vergroten

   


Mijn eendaagse bliksembezoek aan Zuid-Beveland laat me geen tijd om langer rond te dwalen door de stad. Bovendien is mijn parkeertijd bijna verstreken, want moderne verworvenheden als betaald parkeren zijn ook aan Goes niet voorbijgegaan, als om te bewijzen dat ook een historisch stadje met zijn tijd mee moet gaan.

Ik verlaat Goes in zuidelijke richting en kruis de autosnelweg A58, die als een soort ruggengraat van oost naar west over het hele eiland loopt. Het gebied dat ik nu binnenrijd wordt de 'Zak van Zuid-Beveland' genoemd; een blik op de kaart maakt meteen duidelijk waar die bijnaam vandaan komt. Het bestond in de Middeleeuwen uit verschillende kleine en wat grotere eilandjes, die in de eeuwen daarna door bedijking naar elkaar toe groeiden en uiteindelijk één geheel werden.
 

 

De vlag van Zuid-Beveland

De vlag van Zuid-Beveland bestaat niet, want op geen enkel moment in de geschiedenis is het eiland een samenhangende bestuurlijke eenheid geweest. De kans dat dat in de toekomst nog eens zal gebeuren is gering; daarvoor zijn de huidige vier gemeenten Reimerswaal, Goes, Kapelle en Borsele te groot.

Klik om te vergroten

Door die ontstaansgeschiedenis is het een heel bijzonder landschap, met kronkelende dijkjes, kreken, welen, vliedbergen, kleinschalige polders en historische dorpjes met prachtige namen als Hoedekenskerke, Kwadendamme en Ellewoutsdijk. Zo bijzonder dat de 'Zak van Zuid-Beveland' in 1994 door de rijksoverheid werd aangewezen als 'Waardevol Cultuur Landschap' (WCL), samen met nog tien andere gebieden in Nederland.

   

 
   

Tussen Goes en Borsele rijdt een door hobbyisten gerunde toeristische museumstoomtrein waarvan ik de sporen een aantal keer kruis. Het treintje laat zich vanmiddag echter niet zien. Tenslotte kom ik terecht in Ellewoutsdijk en daar kan ik niet verder, want dit is het zuidelijkste puntje van Zuid-Beveland. Aan de overkant van de Westerschelde is de skyline van Terneuzen, de belangrijke haven- en industriestad in Zeeuws-Vlaanderen, duidelijk zichtbaar.

Klik om te vergroten


 
   

Klik om te vergroten

Even ten westen van Ellewoutsdijk ligt een fort, dat werd gebouwd in 1830 om de scheepvaart op de Westerschelde van en naar Antwerpen te kunnen controleren. Tegenwoordig wordt het gebruikt voor tentoonstellingen en andere culturele activiteiten. Verder naar het westen zijn de schoorstenen van het Sloehavensgebied zichtbaar. De kerncentrale van Borsele, exponent van de moderne tijd, vormt een mooi contrast met het oude fort.

   


Met de Sloehavens komt ook het einde van mijn eendaagse bezoek aan Zuid-Beveland in zicht. Dit industriegebied ligt namelijk, althans voor een deel, al op het grondgebied van het buureiland Walcheren. De zon lijkt in zijn strijd met de grijze regenwolken het pleit nu definitief in zijn voordeel te hebben beslecht en schijnt uitbundig over het Zeeuwse landschap, daarbij kleuren tevoorschijn toverend waarvan ik de hele dag niet kon vermoeden dat ze bestonden. Jammer dat het zo laat komt; nu zal ik hier nog eens moeten terugkomen om mijn grijze foto's met regendruppels op de lens te vervangen door wat zonniger materiaal. En om te fietsen over de dijkjes in de 'Zak van Zuid-Beveland', een ritje te maken met de stoomtram, de  'Mosselman' van Yerseke te gaan zien,  een biertje te drinken aan de haven van Goes en nog veel meer dingen te doen die er nu nog niet van gekomen zijn.

Via een nieuwe en nogal saaie weg langs de Sloehavens rij ik in de richting van Vlissingen. Hier ergens zal ik oversteken van Zuid-Beveland naar Walcheren; waar precies het ene eiland eindigt en het volgende begint weet ik niet. Waarschijnlijk zal de grens van de gemeente Borsele op Zuid-Beveland met die van de gemeenten Middelburg en Vlissingen op Walcheren tegenwoordig de scheiding tussen de voormalige eilanden vormen - als er al iemand geïnteresseerd is in dergelijke details.

Nee, dan was het vroeger duidelijker. Aan de ene kant van het Sloe lag Zuid-Beveland en aan de andere kant Walcheren, en de enige manier om van het ene naar het andere eiland te komen was de veerboot. Maar dat is meer dan 130 jaar geleden en het is dan ook begrijpelijk dat er niet veel eilandgevoel meer over is hier, behalve dan op historische kaarten en in oude volksverhalen.
 

   

Klik om te vergroten

   

 

   




Meer over Zuid-Beveland en aanverwante informatie

www.vvvzuidbevelandentholen.nl
Website van de Regio VVV Zuid-Beveland en Tholen, met kaarten en toeristische informatie over Zuid-Beveland.

www.zeeland.nl
Officiële website van de Provincie Zeeland, waartoe Zuid-Beveland behoort.

www.goes.nl
Website van de Gemeente Goes op Zuid-Beveland.

www.reimerswaal.nl
Website van de Gemeente Reimerswaal op Zuid-Beveland.

www.kapelle.nl
Website van de Gemeente Kapelle op Zuid-Beveland.

www.borsele.nl
Website van de Gemeente Borsele op Zuid-Beveland.

www.deltawerken.com
Website over de Deltawerken van de Stichting Deltawerken Online.

www.zeeuwsarchief.nl/strijdtegenhetwater
Website van het Rijksarchief over de stormvloedramp van 1953 en de Deltawerken.

www.orisant.com
Website rond de historische roman "Orisant, Verdronken eiland in de Oosterschelde" van Paul de Schipper.
 

 Ameland
Marken
Neeltje Jans
Noordereiland
Noord-Beveland
Pampus
Schiermonnikoog
Schokland
Sint Philipsland
Terschelling
Texel
Tholen
Tiengemeten
Urk
Vlieland
Walcheren
Wieringen
Zuid-Beveland

Help
Links
Gastenboek


mei 2005