Het middelpunt van de Deltawerken

Eigenlijk is Neeltje Jans een vreemde eend op deze site. Strikt genomen voldoet het namelijk niet aan twee van de belangrijkste criteria die ik op de introductiepagina onder "Maar... wat is een eiland?" heb geformuleerd: het is niet permanent bewoond, noch vandaag, noch in het verleden, en evenmin kan het bogen op een rijke eilandhistorie. Bovendien is het niet eens een eiland; je kunt er immers met de auto zó naartoe rijden!

Toch heb ik geen moment getwijfeld of deze voormalige zandplaat in de Oosterschelde op de site zou moeten worden opgenomen. De reden is dat dit eilandje sinds 1979 het belangrijkste informatie- en expositiecentrum betreffende de Deltawerken huisvest. Nergens anders wordt je een zo compleet overzicht gepresenteerd van de onstaansgeschiedenis van het Zeeuwse deltagebied en van de eeuwenlange strijd tegen het water, die daar als een rode draad doorheen loopt. Een strijd die resulteerde in het de realisatie van het Deltaplan.

In zekere zin kun je Neeltje Jans beschouwen als het middelpunt van de Deltawerken. Het dankt zijn ontstaan aan de Oosterscheldekering, welke algemeen gezien wordt als de bekroning van dit kolossale project. Daarnaast speelde het eilandje een cruciale rol bij de totstandkoming van deze kering en is het er ook nog eens een integraal onderdeel van.

Het informatiecentrum is inmiddels uitgegroeid tot een themapark onder de naam 'WaterLand Neeltje Jans', dat jaarlijks ruim 300.000 bezoekers trekt uit binnen- en buitenland. En terecht. Een bezoek aan de Zeeuwse eilanden zou eigenlijk altijd hier, op Neeltje Jans, moeten beginnen.

Ameland
Marken
Neeltje Jans
Noordereiland
Noord-Beveland
Pampus
Schiermonnikoog
Schokland
Sint Philipsland
Terschelling
Texel
Tholen
Tiengemeten
Urk
Vlieland
Walcheren
Wieringen
Zuid-Beveland

Help
Links
Gastenboek




Nogmaals Nehalennia

Het is onmogelijk te zeggen hoe oud Neeltje Jans precies is. We weten slechts dat de oudste kaart waarop een zandplaat met deze naam in de monding van de Oosterschelde voorkomt uit het jaar 1799 dateert. De Franse cartograaf die deze kaart vervaardigde noemde de zandplaat 'Neeltje Jans' omdat er hier een schip met die naam zou zijn vergaan, maar er zijn geen andere bronnen die dat verhaal bevestigen.

Wat er hier vóór 1799 was is dus onzeker. We moeten ons realiseren dat het deltagebied zeer dynamisch is en door de jaren heen voortdurend van aanzien veranderde. Zandbanken ontstonden spontaan en groeiden soms zelfs uit tot bewoonde eilanden die -na enkele decennia of pas na eeuwen- weer door het water verzwolgen konden worden. Zo lag hier, ongeveer op de plaats van het huidige Neeltje Jans, eind 16e eeuw het eilandje Orisant, een zandplaat met schorren die in 1602 werden bedijkt en verpacht als grond om vee te laten grazen. Lang hebben de kersverse eilandbewoners het er niet uitgehouden. Na verschillende dijkdoorbraken en overstromingen waren ze gedwongen het eiland in 1639 op te geven en te verlaten, waarna het voorgoed onder de zeespiegel verdween.
 

 

Neeltje Jans -
enkele cijfers


Lengte 3,5 km, 
breedte max. 2,5 km, oppervlakte ca. 1,5 km²,
inwoners 0.

 

De meeste bronnen zijn het er wel over eens dat de naam 'Neeltje Jans' een volkse verbastering is van Nehalennia, de Romeinse godin die in de eerste eeuwen van onze jaartelling een belangrijke rol speelde in dit gebied en die ook al op de pagina's van Walcheren en Noord-Beveland ter sprake kwam. Op twee verschillende plaatsen binnen een straal van 25 km van het huidige eiland Neeltje Jans zijn belangrijke archeologische vondsten gedaan die de prominente rol van deze godin bevestigen. Bij Domburg op het huidige eiland Walcheren kwamen in 1647 na een zware storm restanten van een aan Nehalennia gewijd heiligdom vanonder het duinzand tevoorschijn. En vanaf 1970 werden er uit het water van de Oosterschelde bij Colijnsplaat, op het tegenwoordige Noord-Beveland, tientallen altaarstenen met de beeltenis van de godin opgevist, die afkomstig moeten zijn van de aan Nehalennia gewijde tempel bij de Romeinse nederzetting Ganuenta, waar in oude geschriften melding van wordt gemaakt.

De figuur van Nehalennia is enigszins met mysteries omgeven. De genoemde vondsten dateren weliswaar uit de tijd dat de Romeinen in dit gebied verbleven en zijn vaak ook voorzien van inscripties in het Latijn, maar volgens sommige bronnen is de verering van de godin al veel ouder en heeft zij haar oorsprong in de Keltische cultuur. De Romeinen zouden de Nehalennia-cultus hebben overgenomen en hebben ingebed in hun eigen religieuze opvattingen en gebruiken, zoals dat ook elders in het uitgestrekte Romeinse Rijk wel met inheemse godenverering gebeurde. Iets soortgelijks vond plaats in latere eeuwen, toen het christendom vaste voet aan de grond had gekregen in deze streken en de godin Nehalennia naadloos liet overgaan in de Heilige Maagd Maria.

Zeker is dat zowel bij de oude Kelten als bij de Romeinen Nehalennia de godin was van de geborgenheid en van de bescherming tegen het water. Als zodanig werd zij ook de beschermvrouwe van de zeevarenden en dat verklaart haar grote populariteit in deze streken met een lange traditie van overzeese handel. Het was in die tijd gebruikelijk dat de kooplieden, vóór het begin van een gevaarlijke reis overzee, naar het heiligdom van de godin gingen om tot haar te bidden voor een behouden overtocht. Als die gebeden werden verhoord werd vaak na thuiskomst uit dankbaarheid een altaarsteen aan de tempel geschonken. Het is dit soort stenen dat in grote aantallen is teruggevonden.

Het is treffend dat het naar Nehalennia genoemde eilandje Neeltje Jans de bakermat is geworden van de stormvloedkering in de Oosterschelde, dat waterbouwkundig wonder dat sinds 1986 de bewoners van een groot deel van Zeeland beschermt tegen de zee. In zekere zin leeft de godin van de geborgenheid -in een moderne gedaante- dus nog altijd voort!

 

 




"Dit nooit weer!"

De strijd tegen het water loopt als een rode draad door de geschiedenis van de Zeeuwse delta. Ontelbaar zijn de verhalen over stormvloeden en overstromingen in de loop der eeuwen; de allereerste gedocumenteerde melding dateert al uit het jaar 838. In de 15e eeuw waren er de twee Sint Elisabethsvloeden, in 1530 was er de beruchte Sint Felixvloed ('Quade Saterdach'), die de eilanden Noord-Beveland en Sint Philipsland compleet wegvaagde en in zowel in 1532 als in 1570 vond er op Allerheiligen (1 november) een grote overstromingsramp plaats. Het is maar een greep uit een lange reeks.

Al deze rampen brachten grote verliezen aan mensenlevens en enorme schade aan have en goed met zich mee. Begrijpelijk dus dat elke ramp werd gevolgd door maatregelen om te voorkomen dat zoiets zich opnieuw zou voordoen: verhoging en verzwaring van bestaande dijken, aanleg van nieuwe dijken, dijkbewaking om zwakke plekken eerder te kunnen constateren en een betere samenwerking bij beheer en onderhoud van de dijken. Natuurlijk hadden die maatregelen effect, maar toch kwam er later altijd een moment dat het alsnog weer mis ging.

Zoals in de laatste nacht van januari 1953, toen een combinatie van een zeer zware noordwesterstorm (windkracht 11) en springtij het water in de trechter van de zuidelijke Noordzee tot nog nooit eerder gemeten hoogte opstuwde. De gevolgen waren rampzalig: in het deltagebied bezweken de dijken op 500 plaatsen, waardoor 175.000 hectare land overstroomd werd. In de rampnacht en tijdens de vloed van de dag daarop, zondag 1 februari, kwamen 1.835 mensen om, en vele duizenden stuks vee.
 

 

Klik om te vergroten
De overstromingen op
1 februari 1953
(bron:delta2003.nl)
 

De watersnoodramp van 1953 was de laatste in een lange reeks, maar het was tevens de eerste waar de wereld via de massamedia kennis van nam. Bij rampen in het verleden drong de omvang ervan vaak nauwelijks door tot de rest van de bevolking. Nu werd het publiek via kranten en vooral via radioreportages van uur tot uur op de hoogte gehouden van de gebeurtenissen in het rampgebied. Meer indruk nog maakten de beelden die in de bioscoopjournaals werden getoond, beelden van ondergelopen dorpen en steden waar bootjes met reddingswerkers door de straten voeren, van mensen die door een helikopter van het dak van hun huis werden gehaald en van ronddrijvende kadavers van koeien en paarden.

De impact van de massacommunicatie was enorm. Hoewel de ramp van 1953 bij lange na niet de ergste was die het land ooit geteisterd had -de Allerheiligenvloed van 1570 eiste bijvoorbeeld naar schatting meer dan tienmaal zoveel mensenlevens- ontstond er een niet eerder vertoonde eensgezindheid om de getroffenen op alle mogelijke manieren te helpen en om nu voor eens en voor al een einde te maken aan de constante dreiging van het water. De uitspraak "Dit nooit weer!" was kenmerkend voor de vastbeslotenheid die zich van het land meester had gemaakt. Gesteund door de publieke opinie konden politici en de technici aan het werk gaan om die wens te realiseren. Het resultaat was het Deltaplan.

 

 




Het Deltaplan

Het plan dat na diverse studies in 1955 ter goedkeuring werd voorgelegd aan het parlement was zowel zowel eenvoudig van opzet als gigantisch van omvang. De basisgedachte achter het plan was dat de veiligheid van het deltagebied het beste kon worden gewaarborgd door het afsluiten van de belangrijkste zeegaten tussen de eilanden door middel van dijken die de zwaarste stormen zouden kunnen weerstaan. Het ging hierbij om -van noord naar zuid- het Haringvliet, de Grevelingen, de Oosterschelde, het Veerse Gat en de Westerschelde.

Deze oplossing, die voortbouwde op reeds vóór de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde plannen, lag erg voor de hand. De afsluiting van de zeegaten zou de kustlijn immers aanzienlijk verkorten en de totale lengte van de te versterken dijken met maar liefst 700 kilometer verminderen. Bovendien zouden achter de afsluitdammen grote zoetwaterbekkens ontstaan, wat gunstig was voor zowel de landbouw als de recreatie. Tenslotte zouden verkeerswegen over de dammen de eilanden zowel onderling als met het vasteland verbinden en uit hun eeuwenlange isolement halen.
 

 

Klik om te vergroten
Het Deltaplan zoals het in 1955 bij het parlement werd ingediend
(bron:delta2003.nl)
 

Maar de uitvoering zou heel wat minder simpel zijn dan het zo op het eerste gezicht leek. Er was nog helemaal geen ervaring met het afsluiten van zulke brede zeegaten, waarin bovendien tweemaal per etmaal zeer sterke getijdenstromingen optraden. De waterbouwkundige ingenieurs waren er echter van overtuigd dat het mogelijk was. Er hing echter wel een prijskaartje aan van 900 miljoen euro, voor die tijd een gigantisch bedrag. En de realisatie van het totale plan zou zeker 25 jaar in beslag nemen.

Het idee van een volledige afsluiting van de Westerschelde werd al snel verlaten. Krachtens internationale verdragen was Nederland verplicht om de scheepvaart van en naar Antwerpen een onbelemmerde doorgang te garanderen en bij een totale afsluiting zou daar geen sprake meer van zijn. Het alternatief was het verhogen en versterken van alle dijken aan weerszijden van de Westerschelde. In 1957 werd de Deltawet, waarin de uitvoering en de financiering van het Deltaplan werd geregeld, door het parlement aangenomen en kon het werk beginnen.
 

 

Klik om te vergroten
Het Deltaplan zoals het uiteindelijk werd uitgevoerd.
De nummers in de tekst verwijzen naar deze kaart.
(bron:delta2003.nl)
 

Het eerste onderdeel van het Deltaplan dat gerealiseerd werd was de stormvloedkering in de Hollandse IJssel (1), bij Krimpen. De Hollandse IJssel is een betrekkelijk bescheiden rivier die even ten oosten van Rotterdam in de Nieuwe Maas uitmondt. Hij loopt echter door het laagste gebied in Nederland en is een potentieel veiligheidsrisico, omdat bij hoge (storm)vloeden het rivierwater niet kan worden afgevoerd, waardoor de polders langs de rivier, die meer dan 5 meter onder zeeniveau liggen, gevaar lopen te worden overstroomd.

De meest veilige oplossing, het volledig afsluiten van de Hollandse IJssel door middel van een dam, was niet mogelijk vanwege het belang van de rivier voor de binnenscheepvaart. Daarom werd besloten tot de bouw van een beweegbare stormvloedkering die alleen bij hoge waterstanden, wanneer er overstromingsvaar dreigde, zou worden gesloten. De kering, die reeds in 1958 werd voltooid, was qua omvang misschien niet zo spectaculair, maar hij zou model staan voor soortgelijke nog te bouwen constructies in de Oosterschelde en de Nieuwe Waterweg, die vele malen groter zouden worden.
 


Stormvloedkering in de Hollandse IJssel bij Krimpen

Het volgende onderdeel van het Deltaplan dat werd gerealiseerd was het deelproject Drie Eilandenplan, dat de onderlinge verbinding van de eilanden Zuid-Beveland, Walcheren en Noord-Beveland omvatte middels het afsluiten van de zeearmen Veerse Gat en Zandkreek. Hierdoor zouden niet alleen de kusten van de drie eilanden veel beter beveiligd worden, ook zouden de zeearmen na de afsluiting geleidelijk worden omgevormd tot een zoetwatermeer, met nieuwe mogelijkheden voor de recreatie en voor het waterbeheer ten behoeve van de landbouw.

De Zandkreekdam (10) aan de oostkant van het project was de eerste grote afsluiting binnen het kader van de Deltawerken en hiermee konden de bouwers ervaring opdoen voor de nog veel grotere dammen die zouden volgen. De 830 meter lange dam werd gebouwd op een basis van 12 afgezonken betonnen caissons, die werden gevuld met zand en waar vervolgens het dijklichaam op werd aangebracht. De dam werd in 1960 voltooid.
 


Zandkreekdam

Hierna volgde de Veerse Dam (8), die in 1961 gereedkwam. De bouw ervan was een nieuwe uitdaging, want het Veerse Gat was ruim tweemaal zo breed als de Zandkreek en de getijdestromingen waren er veel sterker. Om die stromingen de baas te blijven werden hier voor het eerst zgn. doorlaatcaissons toegepast, gigantische betonnen bakken met openingen waar het water ongehinderd doorheen kon stromen. Pas toen alle caissons op hun plaats lagen werden die openingen met neerlaatbare stalen schuiven gesloten en was de dam in één keer dicht. Vervolgens werden de caissons gevuld met zand en werd op deze sterke basis het dijklichaam gebouwd.
 


Veerse Dam

Na de Veerse Dam volgde de Grevelingendam (5), die de eilanden Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland met elkaar verbindt. Met een lengte van 6 kilometer was deze dam aanzienlijk langer dan alles wat daarvoor was gebouwd. Daar stond tegenover dat dit geen primaire zeewering was maar een zgn. secundaire dam, vooral bedoeld om de waterstromen in het deltagebied te reguleren.

Voor de bouw van de Grevelingendam werden verschillende technieken toegepast. De diepste geul, aan de Schouwen-Duivelandse kant, werd afgesloten met caissons zoals bij het Veerse Gat. Voor het dichten van de noordelijke geul, die te breed was om caissons toe te passen, werd een speciale kabelbaan gebouwd om grote rotsblokken te storten. Aan die kabelbaan hingen gondels waaronder netten waren aangebracht die volgeladen werden met rotsen en betonblokken, welke dan vervolgens ter bestemder plaatse in het water werden gedumpt. Het middendeel van de dam tenslotte werd gevormd door een bestaande zandplaat, die met opgespoten zand werd verhoogd tot het vereiste niveau. Aan de bouw van de Grevelingendam werd in 1958 begonnen en in 1965 was hij klaar.
 

 


Grevelingendam

Aan de Volkerakdam (3) werd gebouwd van 1957 tot 1969. Ook dit was een secundaire dam, die diende om het water dat door de rivieren Rijn en Maas werd aangevoerd via het Haringvliet af te voeren naar de zee. Net als bij de Grevelingendam was de basis voor deze afsluiting een bestaande zandplaat, de Hellegatsplaat. Deze werd via een vaste dam die door het opspuiten van zand werd gebouwd met het eiland Goeree-Overflakkee verbonden. De geul tussen de plaat en het vasteland van Noord-Brabant werd met caissons afgedicht. Tenslotte werd de zandplaat via een brug verbonden met het vasteland van Zuid-Holland. Aan deze kant moest de geul immers openblijven om het rivierwater naar het Haringvliet af te kunnen voeren.

Op de Hellegatsplaat werd een schutsluizencomplex voor de scheepvaart tussen Antwerpen en Rotterdam gebouwd, en een verkeersknooppunt voor het autoverkeer, het Hellegatsplein. Al met al was het een complex werk, dat twaalf jaar duurde voor het helemaal klaar was. Vanuit de lucht gezien lijkt het, met zijn drie 'armen', op een gigantisch Mercedes-logo.
 

 


Volkerakdam met verkeers- knooppunt Hellegatsplein

Aan de Haringvlietdam (2) werd zelfs nog langer gebouwd, namelijk 14 jaar, van 1957 tot 1971. Dit is dan ook een van de meest spectaculaire onderdelen van de Deltawerken. Een volledige afsluiting was hier niet mogelijk, omdat het water van Rijn en Maas immers via het Haringvliet naar de Noordzee moet kunnen worden afgevoerd. Het moest dus een compromis worden tussen een open verbinding en een solide zeewering. Net als bij de stormvloedkering in de Hollandse IJssel, maar dan op een veel grotere schaal.

De oplossing waarvoor werd gekozen was een 4,5 kilometer lange dam waarin 17 gigantische spuisluizen waren opgenomen. Deze sluizen staan bij laag water open, zodat het rivierwater onbelemmerd in de zee kan stromen. Bij elke vloed gaan ze dicht om te voorkomen dat het zoute zeewater binnenstroomt. Hierdoor veranderde het Haringvliet geleidelijk in een zoetwatermeer.

Om de sluizen te kunnen bouwen werd midden in het Haringvliet een tijdelijke polder van 1400 meter lang en 600 meter breed aangelegd. Op de zeebodem werd -volledig op het droge dus- het sluizencomplex gebouwd. Na de voltooiing van het werk werd de dijk doorgestoken zodat de polder weer onder water liep. Daarna werd met de bouw van de eigenlijke dam begonnen. Hierbij werd, net als bij de Grevelingendam, gebruik gemaakt van een kabelbaan waarmee rots- en betonblokken voor de afsluitdam in de zee werden gestort.

In de afgelopen jaren zijn studies verricht naar de mogelijkheid om de sluizen in de Haringvlietdam ook bij vloed open te laten, zodat er weer zeewater kan binnenstromen en het vroegere zoutwater getijdemilieu -gedeeltelijk- kan terugkeren. De Haringvlietdam zou dan gaan fungeren als een stormvloedkering die alleen bij  extreem hoge waterstanden zou worden gesloten, net als de Oosterscheldekering. Deze studies zijn nog niet geheel afgerond.
 

 







Haringvlietdam

De bouw van de Brouwersdam (4), die de Grevelingen aan de zeezijde moest afsluiten, was minder complex omdat dit een volledig dichte dam zonder sluizen zou worden. Omdat deze zeearm landinwaarts al was afgesloten door de Grevelingendam zou hier tussen de twee afsluitingen een stilstaand zoetwatermeer ontstaan. Met een lengte van 6,5 kilometer was dit wel de langste dam die tot dan toe was gebouwd.

Bij de aanleg van de Brouwersdam werden dezelfde technieken gebruikt als bij de Grevelingendam. Eerst werden twee bestaande zandbanken, de Middelplaat en de Kabbelaarsplaat, door opspuiten met zand verhoogd en samengevoegd tot één kunstmatig eiland. Daarna werden de resterende stroomgeulen gedicht. Voor de noordelijke afsluiting werd gekozen voor afdichting met 14 doorlaatcaissons van 68 meter lang en 18 meter breed; de zuidelijke geul werd gedicht met betonblokken die met behulp van een kabelbaan werden gestort.

De Brouwersdam werd in 1971 voltooid. Kort na de sluiting trad er een massale sterfte van planten en dieren op in het nu van de zee afgesloten Grevelingenmeer. Het heeft geruime tijd geduurd voordat hier weer een natuurlijk evenwicht ontstond. Veranderende inzichten op het gebied van natuur en milieu leidden niet lang daarna tot een aanpassing van de dam. Er werd een 195 meter lange sluis gebouwd, waarmee zout zeewater in het meer gelaten kan worden en waardoor vissen van en naar zee kunnen zwemmen. Deze sluis werd in 1978 voltooid.
 

 


Brouwersdam

Na de voltooiing van de Brouwersdam bleven er nog twee uitdagingen over voor de waterbouwkundigen: de afsluiting van de Oosterschelde en de beveiliging van de Nieuwe Waterweg. Aan de Oosterscheldekering (7) besteed ik hieronder een apart hoofdstukje, omdat de geschiedenis van dit werk nauw verbonden is met het eiland Neeltje Jans. Bij de Nieuwe Waterweg ging het om een stormvloedkering die stad Rotterdam, de havens en het omringende gebied moest beschermen tegen het gevaar van overstroming bij extreem hoge waterstanden. Het gaat hier om een gebied waar een miljoen mensen woont en waar allerlei vitale industriële complexen gevestigd zijn, zoals olieraffinaderijen, -opslagbedrijven en chemische industrieën.

De belangrijkste beperkende factor bij de bouw van de kering was het intensieve en voor de Rotterdamse haven cruciale scheepvaartverkeer op de Nieuwe Waterweg. Een oplossing zoals in de Oosterschelde, met neerlaatbare schuiven, was hier geen optie omdat dit de doorvaarthoogte en -breedte voor de scheepvaart teveel zou beperken. In geopende toestand mocht de kering de scheepvaart in het geheel niet hinderen, terwijl deze in geval van dreigend gevaar toch binnen een enkele uren gesloten moest kunnen worden. Het leek een onmogelijke opgaaf.

De oplossing was even origineel als uniek. De nieuwe Maeslantkering (geen nummer op de kaart) bestaat uit twee gigantische halfronde holle stalen deuren, die in normale toestand in een soort droogdokken in de oevers opgeborgen zijn. Wanneer acuut overstromingsgevaar dreigt wordt er water in die dokken toegelaten, waardoor de holle deuren gaan drijven. Vervolgens worden de deuren naar buiten gedraaid, de rivier op. Wanneer ze in positie zijn, tegen elkaar aan, wordt er water in de holle deuren gelaten waardoor ze zinken op een speciaal daarvoor aangelegde drempel op de bodem van de rivier, en zo een solide zeewering vormen. Als de kering weer moet worden geopend wordt het water uit de deuren gepompt zodat ze weer gaan drijven, waarna ze worden teruggedraaid in hun dokken.

De bouw van de Maeslantkering begon in 1991 en op 10 mei 1997 werd zij feestelijk in gebruik gesteld door de reusachtige deuren te sluiten en weer te openen. Sindsdien wordt de kering jaarlijks getest, waarvoor het scheepvaartverkeer op de Nieuwe Waterweg enkele uren moet worden stilgelegd. Het is sinds de ingebruikstelling echter nog niet voorgekomen dat de kering moest worden gesloten vanwege acuut hoogwatergevaar.

 


Maeslantkering




De Oosterscheldewerken

Hoewel de afsluiting van de Oosterschelde niet het laatste onderdeel van het Deltaplan was (dat was de Maeslantkering in de Nieuwe Waterweg)wordt deze toch algemeen beschouwd als de kroon op het hele project. Dat komt zowel door de enorme omvang van de constructie als door de baanbrekende technieken die bij de bouw ervan werden toegepast. Het was bovendien het eerste onderdeel van het Deltaplan waarbij de zorg voor natuur en milieu bepalend was voor de uiteindelijke uitvoering.

Al vanaf het begin was duidelijk dat de afsluiting van de Oosterschelde de lastigste klus van het hele Deltaplan zou worden. De zeearm was breder en dieper dan alle andere en de getijdestromingen waren hier sterker en grilliger. Daarom was de uitvoering van dit werk voor het laatst bewaard zodat alle ervaringen die met de vorige afsluitingen waren opgedaan erin verwerkt konden worden. Door dit uitstel kreeg echter de milieubeweging de tijd om zich te organiseren tegen de afsluiting van de Oosterschelde.

De Oosterschelde is uit het oogpunt van natuurbeheer een buitengewoon waardevol gebied. Het zoutwater getijdenmilieu herbergt een unieke variëteit aan vissen, bodemdieren, waterplanten en vogels. Daarnaast is de Oosterschelde vanwege haar bijzondere eigenschappen het centrum geworden van de oester- en mosselcultuur in Nederland. Dit alles dreigde te verdwijnen wanneer de Oosterschelde zou worden afgesloten en zou veranderen in een getijloos zoetwatermeer. Daarbij werd wat er begin jaren '70 na de voltooiing van de Brouwersdam met het Grevelingenmeer gebeurde (zie boven) als afschrikwekkend voorbeeld aangevoerd.

Gedurende het hele decennium woedde er een felle strijd tussen de voor- en tegenstanders van afsluiting van de Oosterschelde. Een strijd die zich gaandeweg ontwikkelde tot een generatieconflict, omdat met name de ouderen die de watersnood van 1953 aan den lijve hadden meegemaakt veiligheid en bescherming tegen overstromingen het belangrijkst vonden, terwijl voor de jongere generatie natuurbehoud de hoogste prioriteit had. De politiek probeerde oplossingen aan te dragen die aan de wensen van beide kampen tegemoet zouden komen.
 

 

 

Het eerste alternatief was het zodanig verhogen en versterken van de 130 km aan dijk langs de oevers van de Oosterschelde dat de veiligheid even goed gegarandeerd zou zijn als bij volledige afsluiting, de methode die -noodgedwongen- ook voor de Westerschelde werd toegepast. Het belangrijkste bezwaar tegen deze optie was dat het 20 tot 25 jaar zou duren voordat alle dijken op de vereiste hoogte zouden zijn gebracht en dat was onaanvaardbaar voor de voorstanders van maximale veiligheid.

Vervolgens werden diverse varianten voor een half open afsluitdam ontwikkeld, die echter geen van alle genade konden vinden. Ofwel de veiligheid kon niet voldoende worden gegarandeerd, ofwel de mate van doorstroming was zo gering dat het ecosysteem van de Oosterschelde onherstelbare schade zou oplopen. Toen kwamen de waterbouwkundigen met een laatste troefkaart: een open pijlerdam met neerlaatbare stalen schuiven die bij gevaar voor een stormvloed gesloten zouden kunnen worden. Het was een compromis dat voor alle partijen aanvaardbaar bleek te zijn.

De bouw van een stormvloedkering met beweegbare schuiven van deze omvang, in zo'n 'vijandige' omgeving als de grillige monding van de Oosterschelde, zou een waterbouwkundig hoogstandje worden dat nog nergens ter wereld was vertoond. Logisch dat er een prijskaartje aan hing dat vele malen hoger was dan wat aanvankelijk was begroot voor een dichte dam. Aanvankelijk werden de kosten geschat op zo'n € 1,5 miljard, wat uiteindelijk zou oplopen tot € 2,5 miljard.

Nu moest er in de regering en het parlement nog een felle strijd worden uitgevochten om de financiering van de veel duurdere stormvloedkering erdoor te krijgen. De linkse partijen waren vóór, de liberalen tegen het uitgeven van zoveel geld 'voor een paar vogels en een paar vissen'; de christen-democraten twijfelden. Toen deze laatste partij in 1979 dan toch overstag ging en de bouw van de stormvloedkering steunde konden de werkzaamheden beginnen.
 

 


Stormvloedkering Oosterschelde

De bouw van de Oosterscheldekering (7) begon met het ophogen van de bestaande zandplaten Roggenplaat, Geul en Neeltje Jans, die samen het dichte deel van de kering gingen vormen. Er bleven drie stroomgeulen over waarin de pijlerdam zou worden gebouwd, van noord naar zuid de Hammen, Schaar en Roompot. De gezamenlijke lengte van de uit drie delen bestaande pijlerdam bedroeg 3 kilometer. Deze zou bestaan uit 65 betonnen pijlers die in een bouwput op Neeltje Jans werden gefabriceerd en waartussen de 62 stalen schuiven zouden worden opgehangen.

Cruciaal voor de bouw was een solide en stabiele ondergrond voor de pijlers, in een omgeving waarin de zeebodem door de getijdestromingen voortdurend veranderde. Als slechts één van de pijlers een afwijking van meer dan enkele centimeters zou gaan vertonen zou dat onherroepelijk leiden tot het vastlopen van de stalen schuiven, waardoor de hele kering in één klap waardeloos zou worden. Logisch dat aan dit onderdeel zeer veel aandacht werd besteed.
 

 

 

Allereerst werd de zeebodem tot 15 meter diepte verdicht. Hiervoor werd een speciaal schip gebouwd, de Mytilus (mossel), die voorzien was van 18 meter lange trilbuizen met een diameter van ruim 2 meter, welke in de bodem werden geboord. Door de trillingen kwamen de zand- en kleideeltjes dichter op elkaar te liggen en werd de ondergrond versterkt. Vervolgens werden er kunststof matten gevuld met zand en grind op de zeebodem gelegd. Deze geprefabriceerde matten waren 200 meter lang bij een breedte van 42 meter. Om ze op hun plaats te leggen werd ook een speciaal vaartuig gebouwd, de Cardium (kokkel). De matten werden om een enorme cilinder gerold die aan de Cardium werd bevestigd, waarna het schip naar de plaats van bestemming voer, de mat werd afgerold en op de zeebodem werd neergelegd, met een snelheid van 10 meter per uur.
 

 


Mytilus

De 66 pijlers (inclusief 1 reservepijler voor het geval dat er iets mis zou gaan) werden gebouwd in een bouwdok op Neeltje Jans dat 15 meter onder de zeespiegel lag. Het was in feite een soort polder op de bodem van de zee met een dijk eromheen, waar het water was uitgepompt. De pijlers zelf waren gigantische, gedeeltelijk holle betonnen constructies die in hoogte varieerden tussen de 30 en 38 meter, afhankelijk van de diepte van het water op de positie waar ze geplaatst moesten worden.

Toen de pijlers klaar waren werd de dijk rond de bouwput doorgestoken zodat deze onder water liep. Voor het vervoer van de pijlers naar de plaats van bestemming was ook weer een speciaal vaartuig gebouwd, de Ostrea (oester). Dit U-vormige schip manoeuvreerde zich als het ware om een pijler heen, waarna twee 50 meter hoge heftorens het 18.000 ton wegende gevaarte van de zeebodem tilde.
 

 


Cardium

Zo werd elke pijler naar de plaats van bestemming gebracht, waar een speciaal hiervoor ontworpen positioneringsvaartuig, de Macoma (nonnetje) al klaar lag op de exacte positie waar de pijler moest komen. De Ostrea werd vastgekoppeld aan de Macoma, waarna de pijler tot op de centimeter nauwkeurig op de zeebodem werd neergelaten. Zodra een pijler op zijn plaats stond werd het holle binnenste gevuld met zand om de stabiliteit te vergroten. Om de voet van de pijler te beschermen werd deze ingepakt met duizenden tonnen stortsteen.

Toen alle 63 pijlers muurvast op de zeebodem stonden (de reservepijler bleek niet nodig) was het meest kritieke werk gedaan. Hierna werden de pijlers met opzetstukken op de juiste hoogte gebracht en met elkaar verbonden door holle kokers waarin ruimte was voor de apparatuur om de schuiven te bewegen. Bovenop die kokers kwam de verkeersweg die over de kering loopt. Daarna werden de 62 stalen schuiven door een kraan op hun plaats gebracht. De afmetingen ervan variëren, al naar gelang de grootte van het gat dat ze moeten afsluiten. De grootste schuif is 12 meter hoog en weegt 480 ton.

De stormvloedkering in de Oosterschelde werd tenslotte op 4 oktober 1986 door koning Beatrix officieel geopend.
 

 


Ostrea


Macoma
 

In samenhang met de bouw van de Oosterscheldekering werden nog enkele werken uitgevoerd die aanvankelijk niet in het Deltaplan waren opgenomen, maar die noodzakelijk bleken te zijn toen besloten was de Oosterschelde open te houden. Deze worden doorgaans aangeduid met de term 'compartimenteringswerken', omdat zij de Oosterschelde als het ware in 'compartimenten' verdelen. De belangrijkste zijn de Oesterdam en de Philipsdam.

Door de bouw van de Oosterscheldekering werd de monding van de Oosterschelde kleiner. Er kan minder water in- en uitstromen, waardoor de getijverschillen zouden afnemen met ongeveer een kwart. Om dat effect tegen te gaan werd besloten het oppervlak van de Oosterschelde effectief te verkleinen door aan de oostelijke kant enkele dammen te bouwen. Hierdoor zou het waterpeil in de Oosterschelde bij hoogwater met bijna 3 meter kunnen stijgen.

De compartimenteringswerken losten ook een ander probleem op. Het in aanbouw zijnde nieuwe Schelde-Rijnkanaal, dat de haven van Antwerpen moest gaan verbinden met Rotterdam en de Rijn, liep gedeeltelijk door de Oosterschelde en zou dus nu met getijverschillen te maken krijgen. Door het oostelijk deel van de Oosterschelde met een dam af te scheiden van het open gedeelte werd de hele Schelde-Rijnverbinding getijloos, zodat er geen extra sluizen nodig waren.
 

 

 

Allereerst werd tussen 1977 en 1987 de Philipsdam (6) aangelegd, een aftakking van de Grevelingendam (5) naar het voormalige eiland Sint Philipsland die de Oosterschelde scheidde van Krammer en Volkerak. In de dam werd een schutsluizencomplex opgenomen omdat er scheepvaart tussen het binnen- en het buitenwater mogelijk moest blijven. Hiervoor werd op een bestaande zandplaat, de Plaat van Vliet, een werkeiland aangelegd. De Krammersluizen beschikken over een uniek systeem om het zoute en zoete water van elkaar te scheiden. Meer hierover is te lezen op de pagina van Sint Philipsland. Na voltooiing van de Philipsdam in 1987 was de oppervlakte van de Oosterschelde met 3.500 ha water verkleind.
 

 


Philipsdam met Krammersluizen

Restte nu nog de aanleg van de Oesterdam (11) tussen Tholen en Zuid-Beveland, waardoor die oppervlakte met nog eens 1.000 ha water zou afnemen. Hoewel dit onderdeel van de Deltawerken minder bekendheid geniet is het zeker niet het geringste; sterker nog, met een lengte van 11 kilometer is de Oesterdam zelfs de langste dam van het hele project. De aanleg ervan begon al in 1979 en tien jaar later werd de dam officieel geopend. Voor het dichten van het laatste sluitgat in 1986 werden de schuiven van de gloednieuwe Oosterscheldekering, die nog niet eens officieel in gebruik was, speciaal neergelaten om de stromingen in de Oosterschelde te verminderen. Het water ten oosten van de Oesterdam vormt nu een getijloos zoetwatermeer, waardoor de waterhuishouding in het westelijk deel van Noord-Brabant aanzienlijk verbeterd is.
 

 


Oesterdam

Met de officiële opening van de Maeslantkering op 10 mei 1997 zijn de Deltawerken formeel voltooid. De Nederlandse kustverdediging is nu bestand tegen hoogwaterstanden die statistisch maar eens in de 4.000 jaar voorkomen. Van heinde en ver komen bezoekers naar Neeltje Jans en de andere Deltawerken om te zien hoe wij hier in Nederland het water uiteindelijk de baas zijn geworden. De laatste tijd met name uit de Verenigde Staten, na de verwoestende overstromingen die de orkaan Katrina daar recentelijk veroorzaakte in het gebied van New Orleans.

Maar kunnen we nu voor de komende 4.000 jaar comfortabel achterover leunen? Absoluut niet! Ten eerste omdat die fatale stormvloed evengoed morgen kan plaatsvinden als over een paar duizend jaar. En ten tweede omdat die zgn. Deltanorm nu, nog geen halve eeuw nadat hij als ijkpunt werd aangenomen, alweer ter discussie staat. Recent vergaarde kennis over de veranderingen in ons klimaat doen vermoeden dat het door de stijging van de zeespiegel en het vaker voorkomen van steeds heviger stormen wel eens veel korten dan 4.000 jaar zou kunnen duren voor er een nieuw Deltaplan moet worden ontwikkeld. En in feite wordt daar nu al aan gewerkt.

 

 




Een bezoekje aan Neeltje Jans

De belangrijkste reden om Neeltje Jans te bezoeken is om je uitgebreid te laten informeren over de Deltawerken in het algemeen en over de stormvloedkering in de Oosterschelde in het bijzonder. Veel meer is er op deze opgespoten zandplaat en voormalig werkeiland niet te zien. Wel doet Rijkswaterstaat pogingen om hier duinvorming te stimuleren en zo wat natuurgebied op het verder kale eilandje te laten ontstaan, wat in elk geval al tot gevolg heeft gehad dat er nu een konijnenplaag heerst! Puur natuur is het ook op het strandje aan de Noordzeekant waar je geheel uit de kleren kunt gaan, een officieel naaktstrand dus.

Hoe indrukwekkend ook, de Deltawerken vormen een nogal technisch thema en zijn daardoor op zichzelf voor een uitje met het hele gezin misschien niet aantrekkelijk genoeg. Om die reden is in 1997 het informatie- en expositiecentrum Delta Expo omgevormd en uitgebreid tot het themapark WaterLand Neeltje Jans, met tal van attracties voor jong en oud zoals een aquarium, een orkaanmachine, waterglijbanen, een speelstrandje, een zeehondenshow en nog meer. Daarnaast zijn er regelmatig bijzondere evenementen, zoals in de zomer van 2005 een zandsculpturen-festival en de kunstmanifestatie 'Dynamic Art Delta'.
 

 

Klik om te vergroten
Neeltje Jans in Google Earth
(klik om te vergroten)

Klik om te vergroten

 

< klik op een foto om te vergroten


 

   

Klik om te vergroten

De rit naar Neeltje Jans over de stormvloedkering is wel indrukwekkend, vooral als je het voormalige werkeiland vanuit het noorden nadert. Je steekt de eerste twee stroomgeulen in de Oosterschelde, de Hammen en de Schaar, over en je krijgt een goede indruk van de afmetingen van dit werk. Tijdens de bouw lag hier overigens een 4 km lange tijdelijke brug om de honderden werkers aan het project  van en naar Neeltje Jans te kunnen vervoeren.

 


Bouw van de tijdelijke werkbrug naar Neeltje Jans in 1979
(Bron: Rijkswaterstaat)


Een goede start van een bezoek aan Neeltje Jans is de filmvoorstelling 'Delta-Finale' in het expositiegebouw (in diverse talen te volgen). Deze film geeft veel achtergrondinformatie over de watersnoodramp van 1953, de ontwikkeling van het Deltaplan en de realisatie van het project. De nadruk ligt daarbij uiteraard op de bouw van de stormvloedkering in de Oosterschelde, die immers algemeen wordt beschouwd als de finale van de Deltawerken. Je krijgt een goed beeld van de technische problemen die moesten worden overwonnen en de onconventionele oplossingen die werden bedacht omdat een waterbouwkundig werk van een dergelijke omvang nog nooit eerder was vertoond. Ook de verschillende bijzondere vaartuigen die speciaal voor de bouw van de kering werden ontwikkeld komen aan de orde.

Maar minstens zoveel aandacht krijgt de omslag die zich gaandeweg tijdens de uitvoering van het Deltaplan voordeed in het denken, ten gunste van ecologie en natuurbehoud. Want zonder die omslag zou de hele stormvloedkering er nooit gekomen zijn en was de Oosterschelde afgesloten door een dichte dam, zoals oorspronkelijk gepland. Misschien is dat aspect van de kering nog wel fascinerender dan al die technische hoogstandjes: het feit dat al die moeite is gedaan alleen om een stukje unieke natuur te behouden dat anders verloren gegaan zou zijn.
 

 

Na de film en een bezoek aan de tentoonstelling in het gloednieuwe Delta Plaza paviljoen (het vorige werd in 2002 door een brand volledig verwoest) wandel je langs het terrein van de buitenexpositie, waar diverse bij de bouw gebruikte hulpmiddelen te zien zijn, naar de stormvloedkering zelf. De eerste segmenten van het centrale deel, tussen de eilandjes Neeltje Jans en Roggenplaat, zijn opengesteld voor het publiek.

Klik om te vergroten

   


Via betonnen trappetjes daal je  af in het binnenste van een van de pijlers en even later sta je op de bovenbalk van de kering, vlak naast een van de immense, meer dan 400.000 kilo wegende stalen schuiven, terwijl het water van de Oosterschelde kolkend onder je doorstroomt. Je loopt langs de heftorens met de enorme hydraulische cilinders die deze deuren bewegen en die vanuit het aan de overkant van de weg liggende Topshuis, genoemd naar de in 1981 overleden directeur-generaal van Rijkswaterstaat ir. J.W. Tops, worden bediend.

Op een van de pijlers staat met een dikke rode streep de waterhoogte aangegeven, 3 meter boven NAP, waarbij de 62 schuiven van de kering worden gesloten, geheel automatisch en door de computer gestuurd. Een dunnere rode streep daarboven geeft het maximale waterpeil aan dat tijdens de watersnoodramp van 1953 werd bereikt, 4,20 meter +NAP. Een peil dat sindsdien -nog steeds- niet is geëvenaard.
 

   

Klik om te vergroten

Klik om te vergroten

Klik om te vergroten

Klik om te vergroten

   


Vanaf de Oosterscheldekering loop je via de overblijfselen van wat eens de ringdijk van de bouwput was terug naar het tentoonstellingsgebouw. Ik herinner me dat ik hier eenmaal eerder was, begin jaren '80, toen de stormvloedkering nog in aanbouw was. Neeltje Jans was toen weliswaar opengesteld voor het publiek, maar je mocht er niet vrij rondlopen omdat dat te gevaarlijk was. Vanaf Schouwen-Duiveland werd je per pendelbus over de tijdelijke brug voor het werkverkeer naar het informatiecentrum op het werkeiland gebracht, dat toen nog in een eenvoudige houten loods was gehuisvest.
 

   

Klik om te vergroten

Vanaf de dijk, waarover nu een door een tractor getrokken toeristentreintje rijdt, had je toen een spectaculair uitzicht op de gigantische bouwput op de bodem van de Oosterschelde,  15 meter lager. Hier stonden de pijlers voor de stormvloedkering, in verschillende fasen van afbouw, keurig in het gelid. Je kunt nog goed zien dat de bouwput met tussendijken in vieren gedeeld was, zodat hij in gedeeltes weer onder water gezet kon worden.

 
 


Pijlers in aanbouw
(Bron: Rijkswaterstaat)

Zo konden de eerste pijlers die klaar waren al naar hun plaats van bestemming worden gevaren, terwijl er aan de andere nog werd gewerkt. Het hoogtepunt van de trip naar Neeltje Jans was destijds een rit per bus dwars door de bouwput, waarbij je vlak langs de in aanbouw zijnde pijlers reed. Daar kreeg je pas echt een indruk van de enorme afmetingen van deze betonkolossen, waarvan nu nog maar een klein deel boven het water uitsteekt.

Klik om te vergroten

   
     

Klik om te vergroten

Als je nu over het water naar het recreatiestrandje en het expositiegebouw Delta Plaza kijkt is daar helemaal niets meer van terug te vinden. Of toch wel? Want in een hoekje van het vroegere bouwdok staat nog altijd de reservepijler op de plek waar hij werd gebouwd, de 66e pijler die nooit is opgehaald door het hefschip Ostrea omdat hij niet meer nodig was. Helemaal nutteloos was de bouw niet, want hij doet nu dienst als een geliefd klimobject.

   


Langs de andere kant van het water teruglopend in de richting van Delta Plaza passeer je de orkaansimulator, een van de populaire attracties van WaterLand Neeltje Jans. Grote ventilatoren kunnen hier windsnelheden tot boven de 100 km per uur opwekken, windkracht 12 op de schaal van Beaufort. Meteorologen spreken dan van een orkaan. Voorzien van een veiligheidsbril kun je hier aan den lijve ervaren hoe dat aanvoelt. Een heel bijzondere sensatie die je in de openlucht hopelijk niet vaak zult meemaken!

Even verderop is de expositie Walviswereld, waar je spelenderwijs van alles over walvissen te weten kunt komen. De expositie is ondergebracht in een futuristisch uitziend gebouw van honderd meter lang, dat wel doet denken aan een enorme glimmende gestrande walvis en dat al diverse prijzen heeft gewonnen, waaronder de eerste Zeeuwse Architectuurprijs. Binnen waan je je in de duistere ingewanden van een walvis.

Tijdens mijn bezoek aan Neeltje Jans in juli 2005 stonden hier langs de wandelroute diverse kunstobjecten opgesteld. Zij maakten deel uit van de kunstmanifestatie 'Dynamic Art Delta' die in de maanden mei t/m oktober op het eiland te zien was. Acht kunstenaars uit België, Nederland en Duitsland hadden speciaal hiervoor tien composities gemaakt die alle op de een of andere manier met wind, water en natuur te maken hadden. De meeste ervan waren zgn. 'kinetische objecten', dat wil zeggen dat ze bewegen door natuurlijke krachten zoals wind of stromend water. Zij vormden een aangenaam en kwetsbaar tegenwicht voor al dat massieve imponerende beton en staal van de Deltawerken!
 

   

Doorkijk naar... is een werk van de in Duitsland geboren kunstenaar Paul Kamper (1926), dat zich richt op de horizon. "Onze ontdekkingstocht door de ruimte begint bij het willen weten wat er achter de horizon is. Deze zeven achter elkaar opgehangen spiegelende ringen concentreren je blik in de verte. In de spiegels wordt echter ook dat wat achter je ligt gereflecteerd. Op deze wijze vallen heden, verleden en toekomst samen."

Klik om te vergroten

   
     

Klik om te vergroten

WWV 233 van Michael Hischer (Duitsland, 1955).
"Een beeld dat beweegt krijgt een extra dimensie, het handelt als het ware. Het is geen ding meer, maar lijkt wel een personage. De armen van WWV 233 bewegen onafhankelijk van elkaar, waardoor het beeld een oneindig aantal vormen aan kan nemen. Een van de aspecten van mijn werk is het zichtbaar maken van de tijd door beweging, zodat je tijd fysiek én mentaal kunt beleven."

   
     

WindZug van Bernward Frank (Duitsland, 1959).
"Een spoel rolt op twee aluminium kegels over een cirkelvormig onderstel zoals een trein over de rails. Alleen door de vorm van de kegels blijft de spoel zonder verdere geleiding in zijn baan. Samen met het geluid dat deze beweging maakt biedt dit een fascinerend schouwspel. Hoewel ik in mijn werk vaak kies voor monumentale vormen is een vleugje wind meestal al voldoende om iets in beweging te zetten."

Klik om te vergroten

   
     

Klik om te vergroten

Anatomy of Ecstasy van Raphael Opstaele (België, 1934) bestaat uit drie ruimtevoertuigen. "Je kunt er een tocht mee maken naar een plek waar nog geen woorden voor bestaan" vertelt Opstaele. "Uitwisselingen met de 'BUITEN-AARDE' zijn van groot belang voor onze verdere ontwikkeling. Te lang al leeft de mens in afzondering waardoor hij steriel wordt en niet meer de 'sacrale vibraties' uit het 'HEELAL' kan waarnemen."

   
     

Leve de Koningin! van Albert in 't Veld (Nederland, 1942) is geïnspireerd op het 25-jarig ambtsjubileum van koningin Beatrix. "Op de vrolijk beschilderde stangen zie je meer dan veertig keer het portret van de vorstin, als een stalen lady met een lasertechniek uitgesneden. Door het openwerken van sommige gedeelten schijnt het licht door haar heen. Natuurlijk horen er bij zo'n beeld wuivende handen. Door de wind zullen de stalen buizen lichtjes bewegen."

Klik om te vergroten

 

 

 

 

 

Aan het einde van mijn rondwandeling kom ik bij het recreatiestrandje, waar op dat moment nog druk gewerkt wordt aan de zandsculpturen die hier in de maanden juli en augustus te bewonderen zijn. Het betekent een hernieuwde kennismaking met Nehalennia, want de beschermgodin van de zeevarenden uit de Romeinse tijd, die het eiland Neeltje Jans haar naam gaf, vormt het centrale thema van dit evenement.

De zeven metershoge zandsculpturen zijn nog niet helemaal klaar; op 1 juli zal de tentoonstelling officieel worden geopend door Miranda Slabber, de uit Zeeland afkomstige Miss Nederland 2004. In de sculpturen worden onder andere thema's als de bouw van een tempel, handelaren die offers brengen, aanbidding van de godin door de Romeinen en ook het verval van de Nehalennia-cultus uitgebeeld.

De zandsculpturen worden gemaakt door INAXI, een Nederlands bedrijf met een inmiddels internationaal befaamd team dat jaarlijks in China, Duitsland en Israël bouwt. Dit team heeft het ook wereldrecord van het hoogste zandsculptuur, 21 meter, in handen. Voor de bouwwerken wordt speciaal sculptuurzand gebruikt, dat in mallen wordt gestampt en dan in de vorm van blokken wordt aangevoerd, waarna de zandbeeldhouwers of 'carvers' door uitsnijdingen de basisvormen aanbrengen. Daarna worden de sculpturen tot in detail uitgewerkt.
 

 

 

Klik om te vergroten

Klik om te vergroten

Klik om te vergroten

Klik om te vergroten

 

 


Met een allerlaatste blik op de verbazingwekkend fraai gedetailleerde zandsculpturen komt er een einde aan mijn bliksembezoek aan Neeltje Jans. Ik verlaat deze plek met gemengde gevoelens. Niet omdat het niet de moeite waard geweest zou zijn, integendeel zelfs. Voor eenieder die geïnteresseerd is in de strijd van de Nederlanders tegen het water en de manier waarop deze in de moderne tijd wordt gevoerd is Neeltje Jans een absolute aanrader. Vooral voor buitenlanders die niet vertrouwd zijn met de Nederlandse manier van 'leven onder de zeespiegel' bestaat er geen betere plek om daarmee kennis te maken en onder de indruk te raken van het niveau van de hedendaagse Nederlandse waterbouwkunde. En zeker nu er ook voldoende attracties zijn voor kinderen en minder in techniek geïnteresseerde bezoekers is Neeltje Jans een prima idee voor een dagje uit met het hele gezin.

Maar om nu te zeggen dat ik hier enig 'eilandgevoel' heb kunnen ervaren zou teveel zijn. De ligging, zo midden in de Oosterschelde, met volop licht en ruimte om je heen, is natuurlijk wel prachtig. Maar dat is niet genoeg om een eiland tot een écht eiland te maken. Daarvoor zijn vooral mensen nodig die er generaties lang hebben gewoond, los van het vasteland en helemaal op zichzelf aangewezen. Mensen die, ook al hebben ze zo'n eiland al vele jaren geleden verlaten, toch een stempel op het landschap hebben gedrukt, iets van zichzelf hebben achtergelaten dat na al die tijd nog altijd voelbaar is.

Op Neeltje Jans is van dat alles niets te bespeuren. Het blijft een hoop zand in een zeearm die pas in de 18e eeuw op de landkaarten verscheen en in de 20e eeuw heel goed van pas kwam voor de bouw van een van de grootste waterbouwkundige werken ter wereld. Meer is het niet. Maar ook niet minder!
 

 

 

Klik om te vergroten

 

 

 

 

 




Meer over Neeltje Jans en aanverwante informatie

www.neeltjejans.nl
Officiële website van themapark WaterLand Neeltje Jans.

www.deltawerken.com
Website over de Deltawerken van de Stichting Deltawerken Online.

www.delta2003.nl
Officiële website van het Project Delta 2003, de herdenking van de stormvloedramp van 1953. 

www.zeeuwsarchief.nl/strijdtegenhetwater
Website van het Rijksarchief over de stormvloedramp van 1953 en de Deltawerken.

www.walviswereld.nl
Website van het onderdeel WalvisWereld op WaterLand Neeltje Jans.

www.cedephoto.com/dad2005
Website van de kunstmanifestatie 'Dynamic Art Delta'. Alleen Engels.

www.zeeland.nl
Officiële website van de Provincie Zeeland, waartoe Neeltje Jans behoort.

Ameland
Marken
Neeltje Jans
Noordereiland
Noord-Beveland
Pampus
Schiermonnikoog
Schokland
Sint Philipsland
Terschelling
Texel
Tholen
Tiengemeten
Urk
Vlieland
Walcheren
Wieringen
Zuid-Beveland

Help
Links
Gastenboek


juni 2005