Het middelpunt van de Deltawerken
|
|
|
|
Eigenlijk is Neeltje Jans een vreemde eend op deze site. Strikt
genomen voldoet het namelijk niet aan twee van de belangrijkste criteria
die ik op de introductiepagina onder "Maar... wat is een eiland?" heb
geformuleerd: het is niet permanent bewoond, noch vandaag, noch in het
verleden, en evenmin kan het bogen op een rijke eilandhistorie.
Bovendien is het niet eens een eiland; je kunt er immers met de auto zó
naartoe rijden!
Toch heb ik geen moment getwijfeld of deze voormalige zandplaat in de
Oosterschelde op de site zou moeten worden opgenomen. De reden is dat
dit eilandje sinds 1979 het belangrijkste informatie- en
expositiecentrum betreffende de Deltawerken huisvest. Nergens anders
wordt je een zo compleet overzicht gepresenteerd van de
onstaansgeschiedenis van het Zeeuwse deltagebied en van de eeuwenlange
strijd tegen het water, die daar als een rode draad doorheen loopt. Een
strijd die resulteerde in het de realisatie van het Deltaplan.
In zekere zin kun je Neeltje Jans beschouwen als het middelpunt van de
Deltawerken. Het dankt zijn ontstaan aan de Oosterscheldekering, welke
algemeen gezien wordt als de bekroning van dit kolossale project.
Daarnaast speelde het eilandje een cruciale rol bij de totstandkoming
van deze kering en is het er ook nog eens een integraal onderdeel van.
Het informatiecentrum is inmiddels uitgegroeid tot een themapark onder
de naam 'WaterLand Neeltje Jans', dat jaarlijks ruim 300.000 bezoekers
trekt uit binnen- en buitenland. En terecht. Een bezoek aan de Zeeuwse
eilanden zou eigenlijk altijd hier, op Neeltje Jans, moeten beginnen.
|
|
|
Nogmaals Nehalennia
|
|
|
|
Het is onmogelijk te zeggen hoe oud Neeltje Jans precies is. We weten
slechts dat de oudste kaart waarop een zandplaat met deze naam in de
monding van de Oosterschelde voorkomt uit het jaar 1799 dateert. De Franse
cartograaf die deze kaart vervaardigde noemde de zandplaat 'Neeltje Jans'
omdat er hier een schip met die naam zou zijn vergaan, maar er zijn geen
andere bronnen die dat verhaal bevestigen.
Wat er hier vóór 1799 was is dus onzeker. We moeten ons realiseren dat
het deltagebied zeer dynamisch is en door de jaren heen voortdurend van
aanzien veranderde. Zandbanken ontstonden spontaan en groeiden soms
zelfs uit tot bewoonde eilanden die -na enkele decennia of pas na eeuwen-
weer door het water verzwolgen konden worden. Zo lag hier, ongeveer op
de plaats van het huidige Neeltje Jans, eind 16e eeuw het eilandje
Orisant, een zandplaat met schorren die in 1602 werden bedijkt en
verpacht als grond om vee te laten grazen. Lang hebben de kersverse
eilandbewoners het er niet uitgehouden. Na verschillende dijkdoorbraken
en overstromingen waren ze gedwongen het eiland in 1639 op te geven en
te verlaten, waarna het voorgoed onder de zeespiegel verdween.
|
|
|
Neeltje Jans
-
enkele cijfers
Lengte 3,5 km,
breedte max. 2,5 km, oppervlakte ca. 1,5 km²,
inwoners 0.
|
|
|
De meeste bronnen zijn het er wel over eens dat de naam 'Neeltje Jans'
een volkse verbastering is van Nehalennia, de Romeinse godin die in de
eerste eeuwen van onze jaartelling een belangrijke rol speelde in dit
gebied en die ook al op de pagina's van Walcheren en Noord-Beveland ter
sprake kwam. Op twee verschillende plaatsen binnen een straal van 25 km
van het huidige eiland Neeltje Jans zijn belangrijke archeologische
vondsten gedaan die de prominente rol van deze godin bevestigen. Bij Domburg op het huidige eiland
Walcheren kwamen in 1647 na een zware storm restanten van een aan Nehalennia gewijd
heiligdom vanonder het duinzand tevoorschijn. En vanaf
1970 werden er uit het water van de Oosterschelde bij Colijnsplaat, op
het tegenwoordige Noord-Beveland, tientallen altaarstenen met de
beeltenis van de godin opgevist, die afkomstig moeten zijn van de aan Nehalennia gewijde tempel
bij de Romeinse nederzetting Ganuenta, waar in oude geschriften
melding van wordt gemaakt.
De figuur van Nehalennia is enigszins met mysteries omgeven. De genoemde
vondsten dateren weliswaar uit de tijd dat de Romeinen in dit gebied
verbleven en zijn vaak ook voorzien van inscripties in het Latijn, maar
volgens sommige bronnen is de verering van de godin al veel ouder en
heeft zij haar oorsprong in de Keltische cultuur. De Romeinen zouden
de Nehalennia-cultus hebben overgenomen en hebben ingebed in hun eigen
religieuze opvattingen en gebruiken, zoals dat ook elders in het
uitgestrekte Romeinse Rijk wel met inheemse godenverering gebeurde. Iets
soortgelijks vond plaats in latere eeuwen, toen het christendom vaste
voet aan de grond had gekregen in deze streken en de godin Nehalennia
naadloos liet overgaan in de Heilige Maagd Maria.
Zeker is dat zowel bij de oude Kelten als bij de Romeinen Nehalennia de
godin was van de geborgenheid en van de bescherming tegen het water. Als
zodanig werd zij ook de beschermvrouwe van de zeevarenden en dat
verklaart haar grote populariteit in deze streken met een lange traditie
van overzeese handel. Het was in die tijd gebruikelijk dat de
kooplieden, vóór het begin van een gevaarlijke reis overzee, naar het
heiligdom van de godin gingen om tot haar te bidden voor een behouden
overtocht. Als die gebeden werden verhoord werd vaak na thuiskomst uit
dankbaarheid een altaarsteen aan de tempel geschonken. Het is dit soort
stenen dat in grote aantallen is teruggevonden.
Het is treffend dat het naar Nehalennia genoemde eilandje Neeltje Jans
de bakermat is geworden van de stormvloedkering in de Oosterschelde, dat
waterbouwkundig wonder dat sinds 1986 de bewoners van een groot deel van
Zeeland beschermt tegen de zee. In zekere zin leeft de godin van de
geborgenheid -in een moderne gedaante- dus nog altijd voort! |
|
|
"Dit nooit weer!"
|
|
|
|
De strijd tegen het water loopt als een rode draad door de geschiedenis
van de Zeeuwse delta. Ontelbaar zijn de verhalen over stormvloeden en
overstromingen in de loop der eeuwen; de allereerste gedocumenteerde
melding dateert al uit het jaar 838. In de 15e eeuw waren er de twee
Sint Elisabethsvloeden, in 1530 was er de beruchte Sint Felixvloed ('Quade
Saterdach'), die de eilanden Noord-Beveland en Sint Philipsland compleet
wegvaagde en in zowel in 1532 als in 1570 vond er op Allerheiligen (1
november) een grote overstromingsramp plaats. Het is maar een greep uit
een lange reeks.
Al deze rampen brachten grote verliezen aan mensenlevens en enorme
schade aan have en goed met zich mee. Begrijpelijk dus dat elke ramp
werd gevolgd door maatregelen om te voorkomen dat zoiets zich opnieuw
zou voordoen: verhoging en verzwaring van bestaande dijken, aanleg van
nieuwe dijken, dijkbewaking om zwakke plekken eerder te kunnen
constateren en een betere samenwerking bij beheer en onderhoud van de
dijken. Natuurlijk hadden die maatregelen effect, maar toch kwam er
later altijd een moment dat het alsnog weer mis ging.
Zoals in de laatste nacht van januari 1953, toen een combinatie van een
zeer zware noordwesterstorm (windkracht 11) en springtij het water in de
trechter van de zuidelijke Noordzee tot nog nooit eerder gemeten hoogte opstuwde. De gevolgen
waren rampzalig: in het deltagebied bezweken de dijken op 500 plaatsen, waardoor
175.000 hectare land overstroomd werd. In de rampnacht en tijdens de vloed
van de dag daarop, zondag 1 februari, kwamen 1.835 mensen om, en vele duizenden stuks vee.
|
|

De
overstromingen op
1 februari 1953
(bron:delta2003.nl)
|
|
De watersnoodramp van 1953 was de laatste in een lange reeks, maar het
was tevens de eerste waar de wereld via de massamedia kennis van nam.
Bij rampen in het verleden drong de omvang ervan vaak nauwelijks door
tot de rest van de bevolking. Nu werd het publiek via kranten en vooral
via radioreportages van uur tot uur op de hoogte gehouden van de
gebeurtenissen in het rampgebied. Meer indruk nog maakten de beelden die
in de bioscoopjournaals werden getoond, beelden van ondergelopen dorpen
en steden waar bootjes met reddingswerkers door de straten voeren, van
mensen die door een helikopter van het dak van hun huis werden gehaald
en van ronddrijvende kadavers van koeien en paarden.
De impact van de massacommunicatie was enorm. Hoewel de ramp van 1953
bij lange na niet de ergste was die het land ooit geteisterd had -de
Allerheiligenvloed van 1570 eiste bijvoorbeeld naar schatting meer dan
tienmaal zoveel mensenlevens- ontstond er een niet eerder vertoonde
eensgezindheid om de getroffenen op alle mogelijke manieren te helpen en
om nu voor eens en voor al een einde te maken aan de constante dreiging
van het water. De uitspraak "Dit nooit weer!" was kenmerkend voor de
vastbeslotenheid die zich van het land meester had gemaakt. Gesteund
door de publieke opinie konden politici en de technici aan het werk gaan
om die wens te realiseren. Het resultaat was het Deltaplan. |
|
|
Het Deltaplan
|
|
|
|
Het plan dat na diverse studies in 1955 ter goedkeuring werd voorgelegd
aan het parlement was zowel zowel eenvoudig van opzet als gigantisch van
omvang. De basisgedachte achter het plan was dat de veiligheid van het
deltagebied het beste kon worden gewaarborgd door het afsluiten van de
belangrijkste zeegaten tussen de eilanden door middel van dijken die de
zwaarste stormen zouden kunnen weerstaan. Het ging hierbij om -van noord
naar zuid- het Haringvliet, de Grevelingen, de Oosterschelde, het Veerse
Gat en de Westerschelde.
Deze oplossing, die voortbouwde op reeds vóór de Tweede Wereldoorlog
ontwikkelde plannen, lag erg voor de hand. De afsluiting van de zeegaten
zou de kustlijn immers aanzienlijk verkorten en de totale lengte van de
te versterken dijken met maar liefst 700 kilometer verminderen.
Bovendien zouden achter de afsluitdammen grote zoetwaterbekkens
ontstaan, wat gunstig was voor zowel de landbouw als de recreatie.
Tenslotte zouden verkeerswegen over de dammen de eilanden zowel onderling
als met het vasteland verbinden en uit hun eeuwenlange isolement halen.
|
|

Het Deltaplan zoals het in 1955 bij het parlement werd ingediend
(bron:delta2003.nl)
|
|
Maar de uitvoering zou heel wat minder simpel zijn dan het zo op het
eerste gezicht leek. Er was nog helemaal geen ervaring met het afsluiten
van zulke brede zeegaten, waarin bovendien tweemaal per etmaal zeer
sterke getijdenstromingen optraden. De waterbouwkundige ingenieurs waren
er echter van overtuigd dat het mogelijk was. Er hing echter wel een
prijskaartje aan van 900 miljoen euro, voor die tijd een gigantisch
bedrag. En de realisatie van het totale plan zou zeker 25 jaar in beslag
nemen.
Het idee van een volledige afsluiting van de Westerschelde werd al snel
verlaten. Krachtens internationale verdragen was Nederland verplicht om
de scheepvaart van en naar Antwerpen een onbelemmerde doorgang te
garanderen en bij een totale afsluiting zou daar geen sprake meer van
zijn. Het alternatief was het verhogen en versterken van alle dijken aan
weerszijden van de Westerschelde. In 1957 werd de Deltawet, waarin de
uitvoering en de financiering van het Deltaplan werd geregeld, door het
parlement aangenomen en kon het werk beginnen.
|
|

Het Deltaplan zoals het uiteindelijk werd uitgevoerd.
De nummers in de tekst verwijzen naar deze kaart.
(bron:delta2003.nl)
|
|
Het eerste onderdeel van het Deltaplan dat gerealiseerd werd was de
stormvloedkering in de Hollandse IJssel
(1), bij Krimpen. De
Hollandse IJssel is een betrekkelijk bescheiden rivier die even ten
oosten van Rotterdam in de Nieuwe Maas uitmondt. Hij loopt echter door
het laagste gebied in Nederland en is een potentieel veiligheidsrisico,
omdat bij hoge (storm)vloeden het rivierwater niet kan worden afgevoerd,
waardoor de polders langs de rivier, die meer dan 5 meter onder
zeeniveau liggen, gevaar lopen te worden overstroomd.
De meest veilige oplossing, het volledig afsluiten van de Hollandse
IJssel door middel van een dam, was niet mogelijk vanwege het belang van
de rivier voor de binnenscheepvaart. Daarom werd besloten tot de bouw
van een beweegbare stormvloedkering die alleen bij hoge waterstanden,
wanneer er overstromingsvaar dreigde, zou worden gesloten. De kering,
die reeds in 1958 werd voltooid, was qua omvang misschien niet zo
spectaculair, maar hij zou model staan voor soortgelijke nog te bouwen
constructies in de Oosterschelde en de Nieuwe Waterweg, die vele malen
groter zouden worden.
|
|

Stormvloedkering
in de Hollandse IJssel bij Krimpen |
|
Het volgende onderdeel van het Deltaplan dat werd gerealiseerd was het
deelproject
Drie Eilandenplan, dat de onderlinge verbinding van de eilanden
Zuid-Beveland, Walcheren en Noord-Beveland omvatte middels het afsluiten
van de zeearmen Veerse Gat en Zandkreek. Hierdoor zouden niet alleen de
kusten van de drie eilanden veel beter beveiligd worden, ook zouden de
zeearmen na de afsluiting geleidelijk worden omgevormd tot een
zoetwatermeer, met nieuwe mogelijkheden voor de recreatie en voor het
waterbeheer ten behoeve van de landbouw.
De
Zandkreekdam (10) aan de oostkant van het project was de eerste grote
afsluiting binnen het kader van de Deltawerken en hiermee konden de
bouwers ervaring opdoen voor de nog veel grotere dammen die zouden
volgen. De 830 meter lange dam werd gebouwd op een basis van 12
afgezonken betonnen caissons, die werden gevuld met zand en waar
vervolgens het dijklichaam op werd aangebracht. De dam werd in 1960
voltooid.
|
|

Zandkreekdam |
|
Hierna volgde de
Veerse Dam (8), die in 1961 gereedkwam. De bouw ervan was een nieuwe
uitdaging, want het Veerse Gat was ruim tweemaal zo breed als de
Zandkreek en de getijdestromingen waren er veel sterker. Om die
stromingen de baas te blijven werden hier voor het eerst zgn.
doorlaatcaissons toegepast, gigantische betonnen bakken met openingen
waar het water ongehinderd doorheen kon stromen. Pas toen alle
caissons op hun plaats lagen werden die openingen met neerlaatbare
stalen schuiven gesloten en was de dam in één keer dicht. Vervolgens
werden de caissons gevuld met zand en werd op deze sterke basis het
dijklichaam gebouwd.
|
|

Veerse Dam |
|
Na de Veerse Dam
volgde de
Grevelingendam (5), die de eilanden Goeree-Overflakkee en
Schouwen-Duiveland met elkaar verbindt. Met een lengte van 6 kilometer
was deze dam aanzienlijk langer dan alles wat daarvoor was gebouwd. Daar
stond tegenover dat dit geen primaire zeewering was maar een zgn.
secundaire dam, vooral bedoeld om de waterstromen in het deltagebied te
reguleren.
Voor de bouw van de Grevelingendam werden verschillende technieken
toegepast. De diepste geul, aan de Schouwen-Duivelandse kant, werd
afgesloten met caissons zoals bij het Veerse Gat. Voor het dichten van
de noordelijke geul, die te breed was om caissons toe te passen, werd een
speciale kabelbaan gebouwd om grote rotsblokken te storten. Aan die
kabelbaan hingen gondels waaronder netten waren aangebracht die
volgeladen werden met rotsen en betonblokken, welke dan vervolgens ter
bestemder plaatse in het water werden gedumpt. Het middendeel van de dam
tenslotte werd gevormd door een bestaande zandplaat, die met opgespoten
zand werd verhoogd tot het vereiste niveau. Aan de bouw van de Grevelingendam werd in 1958 begonnen en in 1965 was hij klaar.
|
|

Grevelingendam |
|
Aan de
Volkerakdam (3) werd gebouwd van 1957 tot 1969. Ook dit was een
secundaire dam, die diende om het water dat door de rivieren Rijn en
Maas werd aangevoerd via het Haringvliet af te voeren naar de zee.
Net als bij de Grevelingendam was de basis voor deze afsluiting een
bestaande zandplaat, de Hellegatsplaat. Deze werd via een vaste dam die
door het opspuiten van zand werd gebouwd met het eiland
Goeree-Overflakkee verbonden. De geul tussen de plaat en het vasteland
van Noord-Brabant werd met caissons afgedicht. Tenslotte werd de
zandplaat via een brug verbonden met het vasteland van Zuid-Holland. Aan
deze kant moest de geul immers openblijven om het rivierwater naar het
Haringvliet af te kunnen voeren.
Op de Hellegatsplaat werd een
schutsluizencomplex voor de scheepvaart tussen Antwerpen en
Rotterdam gebouwd, en een verkeersknooppunt voor het autoverkeer, het
Hellegatsplein. Al met
al was het een complex werk, dat twaalf jaar duurde voor het helemaal
klaar was. Vanuit de lucht gezien lijkt het, met zijn drie 'armen', op
een gigantisch Mercedes-logo.
|
|

Volkerakdam
met verkeers- knooppunt Hellegatsplein |
|
Aan de
Haringvlietdam (2) werd zelfs nog langer gebouwd, namelijk 14 jaar,
van 1957 tot 1971. Dit is dan ook een van de meest spectaculaire
onderdelen van de Deltawerken. Een volledige afsluiting was hier niet
mogelijk, omdat het water van Rijn en Maas immers via het Haringvliet
naar de Noordzee moet kunnen worden afgevoerd. Het moest dus een
compromis worden tussen een open verbinding en een solide zeewering. Net
als bij de stormvloedkering in de Hollandse IJssel, maar dan op een veel
grotere schaal.
De oplossing waarvoor werd gekozen was een 4,5 kilometer lange dam
waarin 17 gigantische spuisluizen waren opgenomen. Deze sluizen staan
bij laag water open, zodat het rivierwater onbelemmerd in de zee kan
stromen. Bij elke vloed gaan ze dicht om te voorkomen dat het zoute
zeewater binnenstroomt. Hierdoor veranderde het Haringvliet geleidelijk
in een zoetwatermeer.
Om de sluizen te kunnen bouwen werd midden in het Haringvliet een
tijdelijke polder van 1400 meter lang en 600 meter breed aangelegd. Op
de zeebodem werd -volledig op het droge dus- het sluizencomplex gebouwd.
Na de voltooiing van het werk werd de dijk doorgestoken zodat de polder
weer onder water liep. Daarna werd met de bouw van de eigenlijke dam
begonnen. Hierbij werd, net als bij de Grevelingendam, gebruik gemaakt
van een kabelbaan waarmee rots- en betonblokken voor de afsluitdam in de
zee werden gestort.
In de afgelopen jaren zijn studies verricht naar de mogelijkheid om de
sluizen in de Haringvlietdam ook bij vloed open te laten, zodat er weer
zeewater kan binnenstromen en het vroegere zoutwater getijdemilieu
-gedeeltelijk- kan terugkeren. De Haringvlietdam zou dan gaan fungeren
als een stormvloedkering die alleen bij extreem hoge waterstanden
zou worden gesloten, net als de Oosterscheldekering. Deze studies zijn
nog niet geheel afgerond.
|
|

Haringvlietdam
|
|
De bouw van de
Brouwersdam (4), die de Grevelingen aan de zeezijde moest afsluiten,
was minder complex omdat dit een volledig dichte dam zonder sluizen zou
worden. Omdat deze zeearm landinwaarts al was afgesloten door de
Grevelingendam zou hier tussen de twee afsluitingen een stilstaand
zoetwatermeer ontstaan. Met een lengte van 6,5 kilometer was dit wel de
langste dam die tot dan toe was gebouwd.
Bij de aanleg van de Brouwersdam werden dezelfde technieken gebruikt als
bij de Grevelingendam. Eerst werden twee bestaande zandbanken, de
Middelplaat en de Kabbelaarsplaat, door opspuiten met zand verhoogd en
samengevoegd tot één kunstmatig eiland. Daarna werden de resterende
stroomgeulen gedicht. Voor de noordelijke afsluiting werd gekozen voor
afdichting met 14 doorlaatcaissons van 68 meter lang en 18 meter breed;
de zuidelijke geul werd gedicht met betonblokken die met behulp van een
kabelbaan werden gestort.
De Brouwersdam werd in 1971 voltooid. Kort na de sluiting trad er een
massale sterfte van planten en dieren op in het nu van de zee afgesloten
Grevelingenmeer. Het heeft geruime tijd geduurd voordat hier weer een
natuurlijk evenwicht ontstond. Veranderende inzichten op het gebied van
natuur en milieu leidden niet lang daarna tot een aanpassing van de dam.
Er werd een 195 meter lange sluis gebouwd, waarmee zout zeewater in het
meer gelaten kan worden en waardoor vissen van en naar zee kunnen
zwemmen. Deze sluis werd in 1978 voltooid.
|
|

Brouwersdam |
|
Na de voltooiing van de Brouwersdam bleven er nog twee uitdagingen over
voor de waterbouwkundigen: de afsluiting van de Oosterschelde en de
beveiliging van de Nieuwe Waterweg. Aan de
Oosterscheldekering (7) besteed ik hieronder een apart hoofdstukje,
omdat de geschiedenis van dit werk nauw verbonden is met het eiland
Neeltje Jans. Bij de Nieuwe Waterweg ging het om een stormvloedkering
die stad Rotterdam, de havens en het omringende gebied moest beschermen
tegen het gevaar van overstroming bij extreem hoge waterstanden. Het
gaat hier om een gebied waar een miljoen mensen woont en waar allerlei
vitale industriële complexen gevestigd zijn, zoals olieraffinaderijen,
-opslagbedrijven en chemische industrieën.
De belangrijkste beperkende factor bij de bouw van de kering was het
intensieve en voor de Rotterdamse haven cruciale scheepvaartverkeer op
de Nieuwe Waterweg. Een oplossing zoals in de Oosterschelde, met
neerlaatbare schuiven, was hier geen optie omdat dit de doorvaarthoogte
en -breedte voor de scheepvaart teveel zou beperken. In geopende
toestand mocht de kering de scheepvaart in het geheel niet hinderen,
terwijl deze in geval van dreigend gevaar toch binnen een enkele uren
gesloten moest kunnen worden. Het leek een onmogelijke opgaaf.
De oplossing was even origineel als uniek. De nieuwe
Maeslantkering (geen nummer op de kaart) bestaat uit twee
gigantische halfronde holle stalen deuren, die in normale toestand in
een soort droogdokken in de oevers opgeborgen zijn. Wanneer acuut
overstromingsgevaar dreigt wordt er water in die dokken toegelaten,
waardoor de holle deuren gaan drijven. Vervolgens worden de deuren naar buiten gedraaid, de rivier op. Wanneer ze in
positie zijn, tegen elkaar aan, wordt er water in de holle deuren
gelaten waardoor ze zinken op een speciaal daarvoor aangelegde drempel
op de bodem van de rivier, en zo een solide zeewering vormen. Als de
kering weer moet worden geopend wordt het water uit de deuren gepompt
zodat ze weer gaan drijven, waarna ze worden teruggedraaid in hun
dokken.
De bouw van de Maeslantkering begon in 1991 en op 10 mei 1997 werd zij
feestelijk in gebruik gesteld door de reusachtige deuren te sluiten en
weer te openen. Sindsdien wordt de kering jaarlijks getest, waarvoor het
scheepvaartverkeer op de Nieuwe Waterweg enkele uren moet worden
stilgelegd. Het is sinds de ingebruikstelling echter nog niet
voorgekomen dat de kering moest worden gesloten vanwege acuut hoogwatergevaar. |
|

Maeslantkering |
De Oosterscheldewerken
|
|
|
|
Hoewel de afsluiting van de Oosterschelde niet het laatste onderdeel van
het Deltaplan was (dat was de Maeslantkering in de Nieuwe Waterweg)wordt
deze toch algemeen beschouwd als de kroon op het hele project. Dat komt
zowel door de enorme omvang van de constructie als door de baanbrekende
technieken die bij de bouw ervan werden toegepast. Het was bovendien het
eerste onderdeel van het Deltaplan waarbij de zorg voor natuur en milieu
bepalend was voor de uiteindelijke uitvoering.
Al vanaf het begin was duidelijk dat de afsluiting van de Oosterschelde
de lastigste klus van het hele Deltaplan zou worden. De zeearm was
breder en dieper dan alle andere en de getijdestromingen waren hier
sterker en grilliger. Daarom was de uitvoering van dit werk voor het
laatst bewaard zodat alle ervaringen die met de vorige afsluitingen
waren opgedaan erin verwerkt konden worden. Door dit uitstel kreeg
echter de milieubeweging de tijd om zich te organiseren tegen de
afsluiting van de Oosterschelde.
De Oosterschelde is uit het oogpunt van natuurbeheer een buitengewoon
waardevol gebied. Het zoutwater getijdenmilieu herbergt een unieke
variëteit aan vissen, bodemdieren, waterplanten en vogels. Daarnaast is
de Oosterschelde vanwege haar bijzondere eigenschappen het centrum
geworden van de oester- en mosselcultuur in Nederland. Dit alles dreigde
te verdwijnen wanneer de Oosterschelde zou worden afgesloten en zou
veranderen in een getijloos zoetwatermeer. Daarbij werd wat er begin
jaren '70 na de voltooiing van de Brouwersdam met het Grevelingenmeer
gebeurde (zie boven) als afschrikwekkend voorbeeld aangevoerd.
Gedurende het hele decennium woedde er een felle strijd tussen de voor-
en tegenstanders van afsluiting van de Oosterschelde. Een strijd die
zich gaandeweg ontwikkelde tot een generatieconflict, omdat met name de
ouderen die de watersnood van 1953 aan den lijve hadden meegemaakt
veiligheid en bescherming tegen overstromingen het belangrijkst vonden,
terwijl voor de jongere generatie natuurbehoud de hoogste prioriteit
had. De politiek probeerde oplossingen aan te dragen die aan de wensen
van beide kampen tegemoet zouden komen.
|
|
|
|
Het eerste alternatief was het zodanig verhogen en versterken van de 130
km aan dijk langs de oevers van de Oosterschelde dat de veiligheid even
goed gegarandeerd zou zijn als bij volledige afsluiting, de methode die
-noodgedwongen- ook voor de Westerschelde werd toegepast. Het
belangrijkste bezwaar tegen deze optie was dat het 20 tot 25 jaar zou
duren voordat alle dijken op de vereiste hoogte zouden zijn gebracht en
dat was onaanvaardbaar voor de voorstanders van maximale veiligheid.
Vervolgens werden diverse varianten voor een half open afsluitdam
ontwikkeld, die echter geen van alle genade konden vinden. Ofwel de
veiligheid kon niet voldoende worden gegarandeerd, ofwel de mate van
doorstroming was zo gering dat het ecosysteem van de Oosterschelde
onherstelbare schade zou oplopen. Toen kwamen de waterbouwkundigen met
een laatste troefkaart: een open pijlerdam met neerlaatbare stalen
schuiven die bij gevaar voor een stormvloed gesloten zouden kunnen
worden. Het was een compromis dat voor alle partijen aanvaardbaar bleek
te zijn.
De bouw van een stormvloedkering met beweegbare schuiven van deze
omvang, in zo'n 'vijandige' omgeving als de grillige monding van de
Oosterschelde, zou een waterbouwkundig hoogstandje worden dat nog
nergens ter wereld was vertoond. Logisch dat er een prijskaartje aan hing
dat vele malen hoger was dan wat aanvankelijk was begroot voor een dichte
dam. Aanvankelijk werden de kosten geschat op zo'n € 1,5 miljard, wat
uiteindelijk zou oplopen tot € 2,5 miljard.
Nu moest er in de regering en het parlement nog een felle strijd worden
uitgevochten om de financiering van de veel duurdere stormvloedkering
erdoor te krijgen. De linkse partijen waren vóór, de liberalen tegen het
uitgeven van zoveel geld 'voor een paar vogels en een paar vissen'; de
christen-democraten twijfelden. Toen deze laatste partij in 1979 dan
toch overstag ging en de bouw van de stormvloedkering steunde konden de
werkzaamheden beginnen.
|
|

Stormvloedkering Oosterschelde |
|
De bouw van de
Oosterscheldekering (7) begon met het ophogen van de bestaande
zandplaten Roggenplaat, Geul en Neeltje Jans, die samen het dichte deel
van de kering gingen vormen. Er bleven drie stroomgeulen over waarin de
pijlerdam zou worden gebouwd, van noord naar zuid de Hammen, Schaar en
Roompot. De gezamenlijke lengte van de uit drie delen bestaande
pijlerdam bedroeg 3 kilometer.
Deze zou bestaan uit 65 betonnen pijlers die in een bouwput op Neeltje
Jans werden gefabriceerd en waartussen de 62 stalen schuiven zouden
worden opgehangen.
Cruciaal voor de bouw was een solide en stabiele ondergrond voor de
pijlers, in een omgeving waarin de zeebodem door de getijdestromingen
voortdurend veranderde. Als slechts één van de pijlers een afwijking van
meer dan enkele centimeters zou gaan vertonen zou dat onherroepelijk
leiden tot het vastlopen van de stalen schuiven, waardoor de hele kering
in één klap waardeloos zou worden. Logisch dat aan dit onderdeel zeer
veel aandacht werd besteed.
|
|
|
|
Allereerst werd de zeebodem tot 15 meter diepte verdicht. Hiervoor werd een speciaal schip gebouwd, de Mytilus
(mossel), die voorzien was van 18 meter lange trilbuizen met een
diameter van ruim 2 meter, welke in de bodem werden geboord. Door de
trillingen kwamen de zand- en kleideeltjes dichter op elkaar te liggen
en werd de ondergrond versterkt. Vervolgens werden er kunststof matten
gevuld met zand en grind op de zeebodem gelegd. Deze geprefabriceerde
matten waren 200 meter lang bij een breedte van 42 meter. Om ze op hun plaats te leggen werd ook een speciaal vaartuig gebouwd, de
Cardium (kokkel). De matten werden om een enorme cilinder gerold die
aan de Cardium werd bevestigd, waarna het schip naar de plaats
van bestemming voer, de mat werd afgerold en op de zeebodem werd neergelegd,
met een snelheid van 10 meter per uur.
|
|

Mytilus |
|
De 66 pijlers (inclusief 1 reservepijler voor het geval dat er iets
mis zou gaan) werden gebouwd in een bouwdok op Neeltje Jans dat 15 meter
onder de zeespiegel lag. Het was in feite een soort polder op de bodem
van de zee met een dijk eromheen, waar het water was uitgepompt. De
pijlers zelf waren gigantische, gedeeltelijk holle betonnen constructies
die in hoogte varieerden tussen de 30 en 38 meter, afhankelijk van de
diepte van het water op de positie waar ze geplaatst moesten worden.
Toen de pijlers klaar waren werd de dijk rond de bouwput doorgestoken
zodat deze onder water liep. Voor het vervoer van de pijlers naar de
plaats van bestemming was ook weer een speciaal vaartuig gebouwd, de
Ostrea (oester). Dit U-vormige schip manoeuvreerde zich als het ware
om een pijler heen, waarna twee 50 meter hoge heftorens het 18.000 ton
wegende gevaarte van de zeebodem tilde.
|
|

Cardium |
|
Zo werd elke pijler naar de
plaats van bestemming gebracht, waar een speciaal hiervoor ontworpen positioneringsvaartuig, de
Macoma (nonnetje) al klaar lag op de
exacte positie waar de pijler moest komen. De Ostrea werd
vastgekoppeld aan de Macoma, waarna de pijler tot op de
centimeter nauwkeurig op de zeebodem werd neergelaten. Zodra een pijler
op zijn plaats stond werd het holle binnenste gevuld met zand om de
stabiliteit te vergroten. Om de voet van de pijler te beschermen werd
deze ingepakt met duizenden tonnen stortsteen.
Toen alle 63 pijlers muurvast op de zeebodem stonden (de reservepijler
bleek niet nodig) was het meest kritieke werk gedaan. Hierna werden de
pijlers met opzetstukken op de juiste hoogte gebracht en met elkaar
verbonden door holle kokers waarin ruimte was voor de apparatuur om de
schuiven te bewegen. Bovenop die kokers kwam de verkeersweg die over de
kering loopt. Daarna werden de 62 stalen schuiven door een
kraan op hun plaats gebracht. De afmetingen ervan variëren, al naar
gelang de grootte van het gat dat ze moeten afsluiten. De grootste
schuif is 12 meter hoog en weegt 480 ton.
De stormvloedkering in de Oosterschelde werd tenslotte op 4 oktober 1986 door
koning Beatrix officieel geopend.
|
|

Ostrea |
|

Macoma
|
|
In samenhang met de bouw van de Oosterscheldekering werden nog enkele
werken uitgevoerd die aanvankelijk niet in het Deltaplan waren
opgenomen, maar die noodzakelijk bleken te zijn toen besloten was de
Oosterschelde open te houden. Deze worden doorgaans aangeduid met de
term 'compartimenteringswerken', omdat zij de Oosterschelde als het ware
in 'compartimenten' verdelen. De belangrijkste zijn de Oesterdam en de Philipsdam.
Door de bouw van de Oosterscheldekering werd de monding van de
Oosterschelde kleiner. Er kan minder water in- en uitstromen, waardoor de getijverschillen zouden afnemen met
ongeveer een kwart. Om dat effect tegen te gaan werd besloten het
oppervlak van de
Oosterschelde effectief te verkleinen door aan de oostelijke kant enkele
dammen te bouwen. Hierdoor zou het waterpeil in de Oosterschelde bij
hoogwater met bijna 3 meter kunnen stijgen.
De compartimenteringswerken losten ook een ander probleem op. Het in
aanbouw zijnde nieuwe Schelde-Rijnkanaal, dat de haven van Antwerpen
moest gaan verbinden met Rotterdam en de Rijn, liep gedeeltelijk door de
Oosterschelde en zou dus nu met getijverschillen te maken krijgen. Door
het oostelijk deel van de Oosterschelde met een dam af te scheiden van het open gedeelte werd de hele Schelde-Rijnverbinding getijloos,
zodat er geen extra sluizen nodig waren.
|
|
|
|
Allereerst werd tussen 1977 en 1987 de
Philipsdam (6) aangelegd, een aftakking van de Grevelingendam (5)
naar het voormalige eiland Sint Philipsland die de Oosterschelde
scheidde van Krammer en Volkerak. In de dam werd een schutsluizencomplex
opgenomen omdat er scheepvaart tussen het binnen- en het buitenwater
mogelijk moest blijven. Hiervoor werd op een bestaande zandplaat, de
Plaat van Vliet, een werkeiland aangelegd. De
Krammersluizen beschikken over een uniek systeem om het zoute en
zoete water van elkaar te scheiden. Meer hierover is te lezen op de
pagina van Sint Philipsland.
Na voltooiing van de Philipsdam in 1987 was de oppervlakte van de
Oosterschelde met 3.500 ha water verkleind.
|
|

Philipsdam
met Krammersluizen |
|
Restte nu nog de aanleg van de
Oesterdam (11) tussen Tholen en Zuid-Beveland, waardoor die
oppervlakte met nog eens 1.000 ha water zou afnemen. Hoewel dit
onderdeel van de Deltawerken minder bekendheid geniet is het zeker niet
het geringste; sterker nog, met een lengte van 11 kilometer is de
Oesterdam zelfs de langste dam van het hele project. De aanleg ervan
begon al in 1979 en tien jaar later werd de dam officieel geopend. Voor
het dichten van het laatste sluitgat in 1986 werden de schuiven van de
gloednieuwe Oosterscheldekering, die nog niet eens officieel in gebruik
was, speciaal neergelaten om de stromingen in de Oosterschelde te
verminderen. Het water ten oosten van de Oesterdam vormt nu een
getijloos zoetwatermeer, waardoor de waterhuishouding in het westelijk
deel van Noord-Brabant aanzienlijk verbeterd is.
|
|

Oesterdam |
|
Met de officiële opening van de Maeslantkering op 10 mei 1997 zijn de
Deltawerken formeel voltooid. De Nederlandse kustverdediging is nu
bestand tegen hoogwaterstanden die statistisch maar eens in de 4.000
jaar voorkomen. Van heinde en ver komen bezoekers naar Neeltje Jans en
de andere Deltawerken om te zien hoe wij hier in Nederland het water
uiteindelijk de baas zijn geworden. De laatste tijd met name uit de
Verenigde Staten, na de verwoestende overstromingen die de orkaan
Katrina daar recentelijk veroorzaakte in het gebied van New Orleans.
Maar kunnen we nu voor de komende 4.000 jaar comfortabel achterover
leunen? Absoluut niet! Ten eerste omdat die fatale stormvloed evengoed
morgen kan plaatsvinden als over een paar duizend jaar. En ten tweede
omdat die zgn. Deltanorm nu, nog geen halve eeuw nadat hij als ijkpunt
werd aangenomen, alweer ter discussie staat. Recent vergaarde kennis
over de veranderingen in ons klimaat doen vermoeden dat het door de
stijging van de zeespiegel en het vaker voorkomen van steeds heviger
stormen wel eens veel korten dan 4.000 jaar zou kunnen duren voor er een
nieuw Deltaplan moet worden ontwikkeld. En in feite wordt daar nu al aan
gewerkt. |
|
|
|
Een bezoekje aan Neeltje Jans
|
|
|
|
De belangrijkste reden om Neeltje Jans te bezoeken
is om je uitgebreid te laten informeren over de Deltawerken in het
algemeen en over de stormvloedkering in de Oosterschelde in het
bijzonder. Veel meer is er op deze opgespoten zandplaat en voormalig
werkeiland niet te zien. Wel doet Rijkswaterstaat pogingen om hier duinvorming te stimuleren en zo wat natuurgebied op het verder
kale eilandje te laten ontstaan, wat in elk geval al tot gevolg heeft
gehad dat er nu een konijnenplaag heerst! Puur natuur is het ook op het
strandje aan de Noordzeekant waar je geheel uit de kleren kunt gaan,
een officieel naaktstrand dus.
Hoe indrukwekkend ook, de Deltawerken vormen een nogal technisch thema en
zijn daardoor op zichzelf voor een uitje met het hele gezin misschien niet
aantrekkelijk genoeg. Om
die reden is in 1997 het informatie- en expositiecentrum Delta Expo
omgevormd en uitgebreid tot het themapark WaterLand Neeltje Jans, met
tal van attracties voor jong en oud zoals een aquarium, een orkaanmachine, waterglijbanen, een
speelstrandje, een zeehondenshow en nog meer. Daarnaast zijn
er regelmatig bijzondere evenementen, zoals in de zomer van 2005
een zandsculpturen-festival en de kunstmanifestatie 'Dynamic Art Delta'.
|
|

Neeltje Jans
in Google Earth
(klik om te vergroten) |
|
 |
|
<
klik op een foto om te vergroten |
|
|
|
|
|
 |
|
De rit naar Neeltje Jans over de stormvloedkering is wel indrukwekkend,
vooral als je het voormalige werkeiland vanuit het noorden nadert. Je
steekt de eerste twee stroomgeulen in de Oosterschelde,
de Hammen en de Schaar, over en je krijgt een goede
indruk van de afmetingen van dit werk. Tijdens de bouw
lag hier overigens een 4 km lange tijdelijke brug om de
honderden werkers aan het project van en naar Neeltje Jans te kunnen vervoeren. |
|
|

Bouw van de
tijdelijke werkbrug naar Neeltje Jans in 1979
(Bron: Rijkswaterstaat) |
|
Een goede start van een bezoek aan Neeltje Jans is de filmvoorstelling 'Delta-Finale'
in het expositiegebouw (in diverse talen te volgen). Deze film geeft
veel achtergrondinformatie over de watersnoodramp van 1953, de
ontwikkeling van het Deltaplan en de realisatie van het project. De
nadruk ligt daarbij uiteraard op de bouw van de stormvloedkering in de
Oosterschelde, die immers algemeen wordt beschouwd als de finale van de
Deltawerken. Je krijgt een goed beeld van de technische problemen die
moesten worden overwonnen en de onconventionele oplossingen die
werden bedacht omdat een waterbouwkundig werk van een dergelijke omvang
nog nooit eerder was vertoond. Ook de verschillende bijzondere
vaartuigen die speciaal voor de bouw van de kering werden ontwikkeld
komen aan de orde.
Maar minstens zoveel aandacht krijgt de omslag die zich gaandeweg
tijdens de uitvoering van het Deltaplan voordeed in het denken, ten
gunste van ecologie en natuurbehoud. Want zonder die omslag zou de hele
stormvloedkering er nooit gekomen zijn en was de Oosterschelde
afgesloten door een dichte dam, zoals oorspronkelijk gepland. Misschien
is dat aspect van de kering nog wel fascinerender dan al die technische
hoogstandjes: het feit dat al die moeite is gedaan alleen om een stukje
unieke natuur te behouden dat anders verloren gegaan zou zijn.
|
|
|
Na de film en een bezoek aan de tentoonstelling in het
gloednieuwe Delta Plaza paviljoen (het vorige werd in
2002 door een brand volledig verwoest) wandel je langs
het terrein van de buitenexpositie, waar diverse bij de
bouw gebruikte hulpmiddelen te zien zijn, naar de
stormvloedkering zelf. De eerste segmenten van het
centrale deel, tussen de eilandjes Neeltje Jans en Roggenplaat, zijn opengesteld voor het publiek. |
|
 |
|
|
|
|
Via betonnen trappetjes daal je af in het binnenste van een van de
pijlers en even later sta je op de bovenbalk van de kering, vlak naast
een van de immense, meer dan 400.000 kilo wegende stalen schuiven,
terwijl het water van de Oosterschelde kolkend onder je doorstroomt. Je
loopt langs de heftorens met de enorme hydraulische cilinders die deze
deuren bewegen en die vanuit het aan de overkant van de weg liggende
Topshuis, genoemd naar de in 1981 overleden directeur-generaal van
Rijkswaterstaat ir. J.W. Tops, worden bediend.
Op een van de pijlers staat met een dikke rode streep de waterhoogte
aangegeven, 3 meter boven NAP, waarbij de 62 schuiven van de kering
worden gesloten, geheel automatisch en door de computer gestuurd. Een
dunnere rode streep daarboven geeft het maximale waterpeil aan dat
tijdens de watersnoodramp van 1953 werd bereikt, 4,20 meter +NAP. Een
peil dat sindsdien -nog steeds- niet is geëvenaard.
|
|
|
|
|
|
|
|
Vanaf de Oosterscheldekering loop je via de overblijfselen van wat eens
de ringdijk van de bouwput was terug naar het tentoonstellingsgebouw. Ik
herinner me dat ik hier eenmaal eerder was, begin jaren '80, toen de
stormvloedkering nog in aanbouw was. Neeltje Jans was toen weliswaar
opengesteld voor het publiek, maar je mocht er niet vrij rondlopen omdat
dat te gevaarlijk was. Vanaf Schouwen-Duiveland werd je per pendelbus
over de tijdelijke brug voor het werkverkeer naar het informatiecentrum
op het werkeiland gebracht, dat toen nog in een eenvoudige houten loods
was gehuisvest.
|
|
|
|
 |
|
Vanaf de dijk, waarover nu een door een tractor getrokken
toeristentreintje rijdt, had je toen een spectaculair uitzicht op de
gigantische bouwput op de bodem van de Oosterschelde, 15 meter
lager. Hier stonden de pijlers voor de stormvloedkering, in
verschillende fasen van afbouw, keurig in het gelid. Je kunt nog goed
zien dat de bouwput met tussendijken in vieren gedeeld was, zodat hij in
gedeeltes weer onder water gezet kon worden. |
|
|

Pijlers in
aanbouw
(Bron: Rijkswaterstaat) |
|
Zo konden de eerste pijlers die klaar waren al naar hun
plaats van bestemming worden gevaren, terwijl er aan de
andere nog werd gewerkt. Het hoogtepunt van de trip naar
Neeltje Jans was destijds een rit per bus dwars door de
bouwput, waarbij je vlak langs de in aanbouw zijnde
pijlers reed. Daar kreeg je pas echt een indruk van de
enorme afmetingen van deze betonkolossen, waarvan nu nog
maar een klein deel boven het water uitsteekt. |
|
 |
|
|
|
|
|
|
|
|
 |
|
Als je nu over het water naar het recreatiestrandje en het
expositiegebouw Delta Plaza kijkt is daar helemaal niets meer van terug
te vinden. Of toch wel? Want in een hoekje van het vroegere bouwdok
staat nog altijd de reservepijler op de plek waar hij werd gebouwd, de
66e pijler die nooit is opgehaald door het hefschip Ostrea omdat
hij niet meer nodig was. Helemaal nutteloos was de bouw niet, want hij
doet nu dienst als een geliefd klimobject. |
|
|
|
|
Langs de andere kant van het water teruglopend in de richting van Delta
Plaza passeer je de orkaansimulator, een van de populaire attracties van
WaterLand Neeltje Jans. Grote ventilatoren kunnen hier windsnelheden tot
boven de 100 km per uur opwekken, windkracht 12 op de schaal van
Beaufort. Meteorologen spreken dan van een orkaan. Voorzien van een
veiligheidsbril kun je hier aan den lijve ervaren hoe dat aanvoelt. Een
heel bijzondere sensatie die je in de openlucht hopelijk niet vaak zult
meemaken!
Even verderop is de expositie
Walviswereld,
waar je spelenderwijs van alles over walvissen te weten kunt komen. De
expositie is ondergebracht in een futuristisch uitziend gebouw van
honderd meter lang, dat wel doet denken aan een enorme glimmende
gestrande walvis en dat al diverse prijzen heeft gewonnen, waaronder de
eerste Zeeuwse Architectuurprijs. Binnen waan je je in de duistere
ingewanden van een walvis.
Tijdens mijn bezoek aan Neeltje Jans in juli 2005 stonden hier langs de
wandelroute diverse kunstobjecten opgesteld. Zij maakten deel uit van de
kunstmanifestatie 'Dynamic
Art Delta' die in de maanden mei t/m oktober op het eiland te
zien was. Acht kunstenaars uit België, Nederland en Duitsland hadden
speciaal hiervoor tien composities gemaakt die alle op de een of andere
manier met wind, water en natuur te maken hadden. De meeste ervan waren zgn. 'kinetische objecten', dat wil zeggen dat ze bewegen door natuurlijke krachten
zoals wind of stromend water. Zij vormden een aangenaam en
kwetsbaar tegenwicht voor al dat massieve imponerende beton en staal van
de Deltawerken!
|
|
|
|
Doorkijk naar... is een werk van de in Duitsland
geboren kunstenaar Paul Kamper (1926), dat zich richt op
de horizon. "Onze ontdekkingstocht door de ruimte
begint bij het willen weten wat er achter de horizon is.
Deze zeven achter elkaar opgehangen spiegelende ringen
concentreren je blik in de verte. In de spiegels wordt
echter ook dat wat achter je ligt gereflecteerd. Op deze
wijze vallen heden, verleden en toekomst samen." |
|
 |
|
|
|
|
|
|
|
|
 |
|
WWV 233 van Michael Hischer (Duitsland, 1955).
"Een beeld dat beweegt krijgt een extra dimensie, het handelt als het
ware. Het is geen ding meer, maar lijkt wel een personage. De armen van
WWV 233 bewegen onafhankelijk van elkaar, waardoor het beeld een
oneindig aantal vormen aan kan nemen. Een van de aspecten van mijn werk
is het zichtbaar maken van de tijd door beweging, zodat je tijd fysiek
én mentaal kunt beleven." |
|
|
|
|
|
|
|
|
WindZug van Bernward Frank (Duitsland, 1959).
"Een spoel rolt op twee aluminium kegels over een
cirkelvormig onderstel zoals een trein over de rails.
Alleen door de vorm van de kegels blijft de spoel zonder
verdere geleiding in zijn baan. Samen met het geluid dat
deze beweging maakt biedt dit een fascinerend
schouwspel. Hoewel ik in mijn werk vaak kies voor monumentale vormen
is een vleugje wind meestal al voldoende om iets in beweging te
zetten." |
|
 |
|
|
|
|
|
|
|
|
 |
|
Anatomy of Ecstasy van Raphael Opstaele (België, 1934) bestaat
uit drie ruimtevoertuigen. "Je kunt er een tocht mee maken naar een plek
waar nog geen woorden voor bestaan" vertelt Opstaele. "Uitwisselingen
met de 'BUITEN-AARDE' zijn van groot belang voor onze verdere
ontwikkeling. Te lang al leeft de mens in afzondering waardoor hij
steriel wordt en niet meer de 'sacrale vibraties' uit het 'HEELAL' kan
waarnemen." |
|
|
|
|
|
|
|
|
Leve de Koningin! van Albert in 't Veld
(Nederland, 1942) is geïnspireerd op het 25-jarig
ambtsjubileum van koningin Beatrix. "Op de vrolijk
beschilderde stangen zie je meer dan veertig keer het
portret van de vorstin, als een stalen lady met een
lasertechniek uitgesneden. Door het openwerken van
sommige gedeelten schijnt het licht door haar heen.
Natuurlijk horen er bij zo'n beeld wuivende handen. Door
de wind zullen de stalen buizen lichtjes bewegen." |
|
 |
|
|
|
|
|
|
|
|
Aan het einde van mijn rondwandeling kom ik bij het recreatiestrandje,
waar op dat moment nog druk gewerkt wordt aan de zandsculpturen die hier
in de maanden juli en augustus te bewonderen zijn. Het betekent een
hernieuwde kennismaking met Nehalennia, want de beschermgodin van de
zeevarenden uit de Romeinse tijd, die het eiland Neeltje Jans haar naam
gaf, vormt het centrale thema van dit evenement.
De zeven metershoge zandsculpturen zijn nog niet helemaal klaar; op 1
juli zal de tentoonstelling officieel worden geopend door Miranda
Slabber, de uit Zeeland afkomstige Miss Nederland 2004. In de sculpturen
worden onder andere thema's als de bouw van een tempel, handelaren die
offers brengen, aanbidding van de godin door de Romeinen en ook het
verval van de Nehalennia-cultus uitgebeeld.
De zandsculpturen worden gemaakt door INAXI, een Nederlands bedrijf met
een inmiddels internationaal befaamd team dat jaarlijks in China,
Duitsland en Israël bouwt. Dit team heeft het ook wereldrecord van het
hoogste zandsculptuur, 21 meter, in handen. Voor de bouwwerken wordt
speciaal sculptuurzand gebruikt, dat in mallen wordt gestampt en dan in
de vorm van blokken wordt aangevoerd, waarna de zandbeeldhouwers of 'carvers'
door uitsnijdingen de basisvormen aanbrengen. Daarna worden de
sculpturen tot in detail uitgewerkt.
|
|
|
|
|
|
|
|
Met een allerlaatste blik op de verbazingwekkend fraai gedetailleerde
zandsculpturen komt er een einde aan mijn bliksembezoek aan Neeltje Jans.
Ik verlaat deze plek met gemengde gevoelens. Niet omdat het niet de
moeite waard geweest zou zijn, integendeel zelfs. Voor eenieder die
geïnteresseerd is in de strijd van de Nederlanders tegen het water en de
manier waarop deze in de moderne tijd wordt gevoerd is Neeltje Jans een
absolute aanrader. Vooral voor buitenlanders die niet vertrouwd zijn met
de Nederlandse manier van 'leven onder de zeespiegel' bestaat er geen
betere plek om daarmee kennis te maken en onder de indruk te raken van
het niveau van de hedendaagse Nederlandse waterbouwkunde. En zeker nu er
ook voldoende attracties zijn voor kinderen en minder in techniek
geïnteresseerde bezoekers is Neeltje Jans een prima idee voor een dagje
uit met het hele gezin.
Maar om nu te zeggen dat ik hier enig 'eilandgevoel' heb kunnen ervaren
zou teveel zijn. De ligging, zo midden in de Oosterschelde, met volop
licht en ruimte om je heen, is natuurlijk wel prachtig. Maar dat is niet
genoeg om een eiland tot een écht eiland te maken. Daarvoor zijn vooral
mensen nodig die er generaties lang hebben gewoond, los van het
vasteland en helemaal op zichzelf aangewezen. Mensen die, ook al hebben
ze zo'n eiland al vele jaren geleden verlaten, toch een stempel op het
landschap hebben gedrukt, iets van zichzelf hebben achtergelaten dat na
al die tijd nog altijd voelbaar is.
Op Neeltje Jans is van dat alles niets te bespeuren. Het blijft een hoop
zand in een zeearm die pas in de 18e eeuw op de landkaarten verscheen en
in de 20e eeuw heel goed van pas kwam voor de bouw van een van de
grootste waterbouwkundige werken ter wereld. Meer is het niet. Maar ook
niet minder!
|
|
|
|
 |
|
|
|
|
|
|
|
Meer over Neeltje Jans en aanverwante informatie
|
|
|
|
www.neeltjejans.nl
Officiële website van themapark WaterLand Neeltje Jans.
www.deltawerken.com
Website over de Deltawerken van de Stichting Deltawerken Online.
www.delta2003.nl
Officiële website van het Project Delta 2003, de herdenking van de
stormvloedramp van 1953.
www.zeeuwsarchief.nl/strijdtegenhetwater
Website van het Rijksarchief over de stormvloedramp van 1953 en de
Deltawerken.
www.walviswereld.nl
Website van het onderdeel WalvisWereld op WaterLand Neeltje Jans.
www.cedephoto.com/dad2005
Website van de kunstmanifestatie 'Dynamic Art Delta'. Alleen Engels.
www.zeeland.nl
Officiële website van de Provincie Zeeland, waartoe
Neeltje Jans behoort.
|
|
|
|
juni
2005
|
|
|
|
|
|